◄ 97:3
Verhandeling 97
97:5 ►

De evolutie van het Godsbegrip bij de Hebreeërs

4. Amos en Hosea

97:4.1

In de overgang van de stamgod—de god die zo lang gediend was met offeranden en ceremoniën, de Jahweh van de Hebreeërs uit vroegere tijden—naar een God die misdaad en immoraliteit zelfs onder zijn eigen volk strafte, werd een grote stap gedaan door Amos, die vanuit de zuidelijke heuvels optrad om de criminaliteit, dronkenschap, onderdrukking en immoraliteit van de noordelijke stammen aan de kaak te stellen. Zulke luidklinkende waarheden waren er sinds de dagen van Mozes in Palestina niet meer verkondigd.

97:4.2

Amos herstelde en hervormde niet alleen, hij ontdekte ook nieuwe voorstellingen van de Godheid. Hij verkondigde veel over God dat al door zijn voorgangers was aangekondigd, en deed een moedige aanval op het geloof in een Goddelijk Wezen dat zonde onder zijn zogenaamde uitverkoren volk duldde. Voor de eerste maal sinds de dagen van Melchizedek hoorden de mensen de dubbele maatstaf in zaken van nationaal recht en nationale ethiek openlijk veroordeeld worden. Voor de eerste maal in hun geschiedenis hoorden de Hebreeërs dat hun eigen God, Jahweh, misdaad en zonde in hun levens evenmin tolereerde als bij enig ander volk. Amos stelde zich de strenge en rechtvaardige God van Samuel en Elia voor, maar hij zag ook een God die, wanneer het om het straffen van wandaden ging, over de Hebreeërs niet anders dacht dan over enige andere natie. Dit was een directe aanval op de egoïstische leer van het ‘uitverkoren volk,’ en vele Hebreeërs van die dagen namen er ernstig aanstoot aan.

97:4.3

Amos zeide: ‘Hij die de bergen formeerde en de wind schiep, zoek Hem die het Zevengesternte en Orion heeft gemaakt, Hij die de schaduw des doods in de morgenstond verandert en de dag tot nacht verduistert.’ En bij het aan de kaak stellen van zijn half-religieuze, opportunistische en soms immorele medemensen, trachtte hij de onverbiddelijke gerechtigheid van een onveranderlijke Jahweh af te schilderen toen hij over de kwaaddoeners sprak: ‘Al groeven zij door tot in het dodenrijk, Mijn hand zou hen vandaar weghalen; al klommen zij op ten hemel, Ik zal hen vandaar omlaag trekken.’ ‘Al gingen zij voor hun vijanden uit in gevangenschap, ik zou vandaar het zwaard gelasten hen om te brengen.’ Amos schokte zijn toehoorders nog meer toen hij, een berispende, beschuldigende vinger naar hen uitgestoken, in de naam van Jahweh verklaarde: ‘Voorwaar, Ik zal in eeuwigheid niet een van uw daden vergeten.’ ‘En Ik zal het huis van Israel schudden onder alle volken, gelijk men een zeef schudt.’

97:4.4

Amos riep Jahweh uit tot de ‘God van alle naties’ en waarschuwde de Israëlieten dat rituelen niet de plaats van rechtvaardigheid moesten innemen. En voordat deze moedige leraar werd gestenigd, had hij genoeg zuurdesem van waarheid verspreid om de leer over de allerhoogste Jahweh te redden; hij had de verdere evolutie van de openbaring van Melchizedek zeker gesteld.

97:4.5

Amos en zijn leer van een universele God van rechtvaardigheid werden gevolgd door Hosea die het Mozaïsche denkbeeld van een God van liefde nieuw leven inblies. Hosea predikte vergeving door berouw, niet door offeranden. Hij verkondigde een evangelie van goedertierenheid en goddelijke barmhartigheid, zeggende: ‘Ik zal u Mij tot bruid werven voor eeuwig: Ik zal u Mij tot bruid werven door gerechtigheid en recht, door goedertierenheid en ontferming; Ik zal u Mij tot bruid werven door trouw.’ ‘Ik zal hen vrijwillig liefhebben, want Mijn toorn keert zich van hen af.’

97:4.6

Hosea zette de ethische waarschuwingen van Amos getrouw voort, zeggende van God: ‘Het is Mijn begeren dat Ik hen tuchtig.’ Maar de Israëlieten beschouwden het als aan verraad grenzende wreedheid toen hij zei: ‘Ik zal tot hen die niet Mijn volk zijn, zeggen: Gij zijt Mijn volk; en zij zullen zeggen: Gij zijt onze God’. Hij bleef berouw en vergeving prediken, zeggend: ‘Ik zal hun afkerigheid genezen, Ik zal hen vrijwillig liefhebben, want Mijn toorn keert zich van hen af.’ Hosea verkondigde aldoor hoop en vergeving. De kern van zijn boodschap was steeds: ‘Ik zal Mij over Mijn volk ontfermen. Zij zullen geen andere God kennen dan Mij alleen, want er is geen redder dan Ik.’

97:4.7

Amos maakte het nationale geweten van de Hebreeërs wakker, zodat zij inzagen dat Jahweh hun hun misdaden en zonden niet zou vergeven, ook al waren zij zogenaamd het uitverkoren volk, terwijl Hosea de eerste tonen liet horen van de barmhartige akkoorden van het goddelijk mededogen en de goddelijke goedertierenheid, die later zo prachtig werden gezongen door Jesaja en zijn metgezellen.


◄ 97:3
 
97:5 ►