◄ 179:2
Verhandeling 179
179:4 ►

Het laatste avondmaal

3. Het wassen van de voeten der apostelen

179:3.1

Het was gebruik onder de Joden dat de gastheer, nadat de eerste beker van het Pascha geledigd was, van tafel opstond en zijn handen waste. Op een later tijdstip van de maaltijd, na de tweede beker, stonden alle gasten eveneens op om hun handen te wassen. Aangezien de apostelen wisten dat de Meester nooit dit ritueel van de ceremoniële handwassing in acht nam, waren ze zeer nieuwsgierig naar wat hij wilde doen toen hij, nadat ze allen uit deze eerste beker gedronken hadden, van tafel opstond en zwijgend naar de plaats bij de deur ging waar de waterkruiken, kommen en handdoeken waren geplaatst. En hun nieuwsgierigheid ging in verbazing over toen zij zagen hoe de Meester zijn bovenkleed aflegde, zich een handdoek ombond, en in een van de kommen voor het voetwassen water begon te gieten. Stelt u zich de verbazing van deze twaalf mannen voor die nog zo kort geleden geweigerd hadden elkaars voeten te wassen en die zich onledig hadden gehouden met het voeren van die ongepaste twistgesprekken over de ereplaatsen aan tafel, toen zij Jezus om het open einde van de tafel naar de laagste plaats van de feestdis zagen gaan waar Simon Petrus aanlag, en hem zagen neerknielen in de houding van een dienaar en zich zagen gereedmaken om de voeten van Simon te wassen. Toen de Meester neerknielde, gingen alle twaalf als één man staan; zelfs de verraderlijke Judas vergat voor een ogenblik zijn schanddaad, in zoverre dat hij met zijn mede-apostelen opstond in hun uiting van verrassing, eerbied en volslagen verbazing.

179:3.2

Daar stond Simon Petrus nu, omlaagziend in het opgeheven gelaat van zijn Meester. Jezus zei niets; het was niet nodig dat hij iets zei. Zijn houding gaf duidelijk te kennen dat hij van plan was de voeten van Simon Petrus te wassen. Niettegenstaande zijn zwakheden van het vlees had Petrus de Meester lief. Deze visser uit Galilea was de eerste mens die van ganser harte geloofde in de goddelijkheid van Jezus en die dat geloof ook volledig en openlijk had beleden. En Petrus had sindsdien nooit meer echt getwijfeld aan de goddelijke natuur van de Meester. Omdat Petrus innerlijk zo met eerbied tegen Jezus opzag en hem zo vereerde, was het niet te verwonderen dat zijn ziel in opstand kwam bij de gedachte dat Jezus die daar voor hem lag in de knielende houding van een nederige dienaar, hem aanbood zijn voeten te wassen, zoals een slaaf dat zou doen. Toen hij na een kort ogenblik weer voldoende tot zichzelf gekomen was om tot de Meester te kunnen spreken, vertolkte hij de gevoelens in het hart van al zijn mede-apostelen.

179:3.3

Na enkele ogenblikken van grote verlegenheid zei Petrus: ‘Meester, zijt ge werkelijk van plan mijn voeten te wassen?’ Hierop zei Jezus, terwijl hij opzag en Petrus recht in de ogen keek: ‘Je begrijpt misschien niet helemaal wat ik nu ga doen, maar hierna zul je de betekenis van dit alles verstaan.’ Toen haalde Petrus diep adem en zei: ‘Meester, het zal nooit gebeu- ren dat gij mijn voeten wast!’ En een ieder van de apostelen gaf door knikken zijn instem- ming te kennen met Petrus’ ferme weigering om Jezus toe te staan zich zo voor hen te verne- deren.

179:3.4

De dramatische aantrekkingskracht die van dit ongewone tafereel uitging, raakte in het eerst zelfs het hart van Judas Iskariot, maar toen hij met zijn verwaande verstand het schouwspel beoordeelde, kwam hij tot de conclusie dat dit nederige gebaar een voorval was dat eens te meer bewees dat Jezus niet de kwaliteiten bezat om ooit de bevrijder van Israel te worden, en dat hij geen vergissing had begaan toen hij had besloten de zaak van de Meester in de steek te laten.

179:3.5

Toen zij daar allen zo stonden en van verbazing hun adem inhielden, zei Jezus: ‘Petrus, ik zeg je dat als ik niet je voeten was, je niet met mij zult delen in datgene wat ik ga verrichten.’ Op het horen van deze uitspraak, en mede door het feit dat Jezus daar aan zijn voeten geknield bleef, nam Petrus een van zijn beslissingen om zich blindelings te voegen naar de wens van iemand die hij respecteerde en liefhad. Toen het Simon Petrus begon te dagen dat aan dit voorgestelde dienstbetoon een betekenis was verbonden die bepalend was voor iemands toekomstige relatie met het werk van de Meester, raakte hij niet alleen verzoend met de gedachte dat hij Jezus toe moest staan zijn voeten te wassen, maar zei hij op zijn karakteristieke, onstuimige manier: ‘Meester, was dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en hoofd.’

179:3.6

Terwijl de Meester zich gereed maakte om met het wassen van de voeten van Petrus te beginnen, zei hij: ‘Hij die reeds rein is, heeft alleen maar nodig dat zijn voeten gewassen worden. Jullie die hier vanavond met mij aanzitten, zijn rein—maar niet allen. Het stof van jullie voeten had echter afgewassen moeten zijn, voordat jullie met mij aan tafel gingen. Maar ook wilde ik jullie deze dienst bewijzen als een gelijkenis, om daarmee de betekenis van een nieuw gebod toe te lichten dat ik jullie zo dadelijk zal geven.’

179:3.7

Op dezelfde wijze ging Jezus de tafel rond, in stilte, en waste de voeten van zijn twaalf apostelen, waarbij hij zelfs Judas niet oversloeg. Toen Jezus klaar was met het wassen der voeten van de twaalf, deed hij zijn overkleed weer aan en keerde terug naar zijn plaats als gastheer. Hij liet zijn blik over zijn verbijsterde apostelen gaan en zei:

179:3.8

‘Begrijpen jullie werkelijk wat ik voor jullie gedaan heb? Jullie noemen mij Meester, en terecht, want dat ben ik. Als nu de Meester jullie voeten gewassen heeft, hoe kwam het dan dat jullie ongenegen waren elkaars voeten te wassen? Welke les moeten jullie leren uit deze parabel waarin de Meester zo bereidwillig de dienst verricht die zijn broeders ongenegen waren voor elkaar te verrichten? Voorwaar, voorwaar, ik zeg jullie: een dienaar is niet groter dan zijn meester; en evenmin is iemand die gezonden wordt, groter dan degene die hem zendt. Jullie hebt in mijn leven te midden van jullie de weg der dienstbaarheid gezien, en gezegend zijn diegenen van jullie die de goedgunstige moed zullen bezitten om zo te dienen. Maar waarom leren jullie maar zo langzaam dat het geheim van grootheid in het geestelijke koninkrijk niet overeenkomt met de methoden van macht in de materiële wereld?

179:3.9

‘Toen ik vanavond deze kamer binnenkwam, was het jullie niet genoeg om hoogmoedig te weigeren elkaars voeten te wassen, maar moesten jullie ook nog onder elkaar gaan redetwisten wie de ereplaatsen aan mijn tafel zouden innemen. Dit soort eerbewijzen begeren de Farizeeën en de kinderen dezer wereld, maar onder de ambassadeurs van het hemelse koninkrijk zou het niet zo moeten zijn. Weten jullie dan niet dat er aan mijn tafel geen voorkeursplaats kan zijn? Begrijpen jullie niet dat ik jullie allen even liefheb? Weten jullie niet dat de plaats naast mij, die naar de menselijke maatstaf een ereplaats is, van geen enkele betekenis kan zijn met betrekking tot jullie status in het koninkrijk des hemels? Jullie weten dat de koningen der heidenen heerschappij voeren over hun onderdanen, terwijl zij die zulk een gezag uitoefenen soms weldoeners genoemd worden. Maar zo zal het niet zijn in het koninkrijk des hemels. Hij die groot wil zijn onder jullie, laat hij als de jongste worden; en laat hij die het hoofd zou willen zijn, worden als een die dient. Wie is de meerdere, hij die aan tafel aanzit, of hij die bedient? Wordt het niet algemeen zo beschouwd dat hij die aanzit de meerdere is? Maar jullie kunt zien dat ik onder jullie verkeer als iemand die dient. Indien jullie bereid zijn om mede-dienaren te worden met mij door het doen van de wil van de Vader, zullen jullie in het koninkrijk dat zal komen met mij aanzitten in macht, en nog steeds de wil van de Vader doen in de heerlijkheid van de toekomst.’

179:3.10

Toen Jezus dit alles had gezegd, brachten de tweelingbroers Alfeüs het brood en de wijn, samen met de bittere kruiden en de saus van gedroogde vruchten, voor de volgende gang van het Laatste Avondmaal.


◄ 179:2
 
179:4 ►