◄ 146:2
Verhandeling 146
146:4 ►

De eerste prediktocht door Galilea

3. Het oponthoud te Rama

146:3.1

In Rama had Jezus het gedenkwaardige gesprek met de bejaarde Griekse wijsgeer die leerde dat wetenschap en wijsbegeerte voldoende waren om aan de behoeften van de menselijke ervaring te voldoen. Jezus luisterde met geduld en sympathie naar deze Griekse leraar, en erkende de waarheid van vele dingen die hij zei, maar toen de Griek was uitgesproken, wees Jezus hem erop dat hij er bij zijn discussie over het menselijke bestaan niet in geslaagd was een verklaring te geven van het ‘vanwaar, waarom, en waarheen,’ en hij voegde daaraan toe: ‘Waar gij ophoudt, beginnen wij. Religie is een openbaring aan de ziel van de mens, die te maken heeft met geestelijke realiteiten die het denken alleen nooit zou kunnen ontdekken of geheel zou kunnen doorgronden. De inspanningen van het intellect onthullen wellicht de feiten van het leven, maar het evangelie van het koninkrijk ontvouwt de waarheden van het bestaan. Gij hebt de materiële schaduwen van waarheid besproken, wilt ge nu luisteren terwijl ik U vertel over de eeuwige, geestelijke werkelijkheden die deze voorbijgaande tijd-schaduwen der materiële feiten van het sterfelijke bestaan afwerpen?’ Meer dan een uur lang onderrichtte Jezus deze Griek de reddende waarheden van het evangelie van het koninkrijk. De oude filosoof was ontvankelijk voor de benaderingswijze van de Meester, en daar hij oprecht en eerlijk van hart was, geloofde hij al spoedig dit evangelie van verlossing.

146:3.2

De apostelen waren enigszins ontsteld over de open manier waarop Jezus met vele stellingen van de Griek instemde, maar Jezus zei na afloop, toen ze weer onder elkaar waren tot hen: ‘Kinderen, weest niet verbaasd dat ik tolerant was ten opzichte van de filosofie van de Griek. Ware, echte innerlijke zekerheid is niet in het minst bevreesd voor een analyse van buitenaf, en evenmin neemt waarheid aanstoot aan eerlijke kritiek. Je moet nooit vergeten dat onverdraagzaamheid een masker is dat moet verhullen dat men heimelijk twijfelt aan de juistheid van wat men gelooft. Niemand zal zich ooit van zijn stuk laten brengen door de instelling van zijn buurman, indien hij volmaakt vertrouwen heeft in de waarheid van hetgeen hij oprecht gelooft. Moed is het vertrouwen dat voortkomt uit een volstrekte eerlijkheid aangaande de dingen waarin men zegt te geloven. Oprechte mensen zijn niet bevreesd voor een kritisch onderzoek van hun ware overtuigingen en nobele idealen.’

146:3.3

Op de tweede avond te Rama stelde Tomas Jezus de volgende vraag: ‘Meester, hoe kan iemand die pas gelooft in uw leer, werkelijk weten, er werkelijk zeker van zijn, dat dit evangelie van het koninkrijk waar is?’

146:3.4

En Jezus zei tot Tomas: ‘Je zekerheid dat je lid bent geworden van de familie van het koninkrijk van de Vader, en dat je eeuwig zult leven met de kinderen van het koninkrijk, is geheel een zaak van persoonlijke ervaring—geloof in het woord der waarheid. Geestelijke zekerheid is het equivalent van jouw persoonlijke religieuze ervaring in de eeuwige realitei-ten van de goddelijke waarheid en staat voor het overige gelijk aan je intelligente begrijpen van de waarheidsrealiteiten, plus je geestelijke geloofsvertrouwen, en minus je eerlijke twijfel.

146:3.5

‘De Zoon is van nature begiftigd met het leven van de Vader. Omdat jullie met de levende geest van de Vader begiftigd zijn, zijn jullie derhalve zonen van God. Je overleeft je leven in de materiële wereld van het vlees, omdat je geïdentificeerd raakt met de levende geest van de Vader, het geschenk van het eeuwige leven. Al zeer velen hadden dit leven voordat ik uitging van de Vader, en nog vele anderen hebben deze geest ontvangen omdat zij mijn woord geloofden; maar ik zeg jullie dat wanneer ik terugkeer naar de Vader, hij zijn geest in het hart van alle mensen zal zenden.

146:3.6

‘Ofschoon jullie de goddelijke geest niet kunt zien werken in jullie bewustzijn, is er wel een praktische methode om te ontdekken in hoeverre jullie de beheersing over de vermogens van je ziel hebt overgedragen aan het onderricht en de leiding van deze inwonende geest van de hemelse Vader, en dat is de mate waarin je je medemensen liefhebt. Deze geest van de Vader deelt in de liefde van de Vader, en naargelang hij de mens beheerst, leidt hij jullie zeker in de richting van godsverering en liefdevolle aandacht voor je medemens. Eerst geloof je dat je zonen van God bent omdat mijn onderricht je meer bewust heeft gemaakt van de innerlijke aanwijzingen van de inwonende tegenwoordigheid van onze Vader, maar spoedig zal de Geest van Waarheid op alle vlees worden uitgestort, and zij zal onder de mensen leven en alle mensen onderrichten, precies zoals ik nu onder jullie leef en de woorden van waarheid tot jullie spreek. En deze Geest van Waarheid, die spreekt voor de geestelijke gaven aan jullie ziel, zal jullie helpen te weten dat je zonen van God bent. Zij zal onophoudelijk getuigen, samen met de inwonende tegenwoordigheid van de Vader, jullie geest, die dan in alle mensen zal wonen zoals hij nu in sommigen woont, en jullie zeggen dat je in werkelijkheid zonen van God bent.

146:3.7

‘Ieder kind van de aarde die de aanwijzing van deze geest volgt, zal uiteindelijk de wil van God kennen, en hij die zich overgeeft aan de wil van mijn Vader zal eeuwig blijven bestaan. De weg van het leven op aarde naar de eeuwige staat is jullie niet duidelijk gemaakt, maar er is een weg, er is altijd een weg geweest, en ik ben gekomen om die weg nieuw en levend te maken. Hij die het koninkrijk binnentreedt heeft reeds het eeuwige leven—hij zal nooit omkomen. Maar veel hiervan zullen jullie beter begrijpen wanneer ik ben teruggekeerd naar de Vader en jullie je huidige ervaringen in retrospect kunnen zien.’

146:3.8

Allen die deze gezegende woorden hoorden, werden zeer bemoedigd. De Joodse leer was verward en onzeker geweest met betrekking tot de overleving van de rechtvaardigen, en het was voor de volgelingen van Jezus verkwikkend en bezielend om deze zeer duidelijke en positieve woorden van zekerheid te horen ten aanzien van de eeuwige overleving van alle oprechte gelovigen.

146:3.9

De apostelen bleven prediken en de gelovigen dopen, terwijl zij ook hun gewoonte trouw bleven om van huis tot huis bezoeken af te leggen, de neerslachtigen te bemoedigen en de zieken en lijdenden te verzorgen. De apostolische organisatie werd uitgebreid, in de zin dat elk van Jezus’ apostelen nu een van Johannes’ apostelen als medewerker had. Abner was de medewerker van Andreas, en dit plan bleef in werking totdat zij naar Jerusalem gingen voor het volgende Pascha.

146:3.10

De speciale instructie die Jezus hun gaf gedurende het verblijf te Zebulon, had voornamelijk te maken met verdere besprekingen over de onderlinge verplichtingen in het koninkrijk en omvatte onderricht dat bedoeld was om de verschillen duidelijk te maken tussen persoonlijke religieuze ervaring en de vriendschappelijke relaties die uit sociale religieuze verplichtingen voortvloeien. Dit was een der weinige keren dat de Meester ooit de sociale aspecten van religie besprak. Gedurende zijn hele leven op aarde gaf Jezus zijn volgelingen maar zeer weinig aanwijzingen aangaande de socialisering van de religie.

146:3.11

De inwoners van Zebulon waren van gemengd ras, nauwelijks Joods en evenmin heidens, en weinigen van hen gingen werkelijk in Jezus geloven, ondanks het feit dat zij van de genezing der zieken te Kafarnaüm hadden gehoord.


◄ 146:2
 
146:4 ►