◄ 130:6
Verhandeling 130
130:8 ►

Op weg naar Rome

7. In Carthago—gesprek over tijd en ruimte

130:7.1

Onderweg naar Carthago praatte Jezus met zijn reisgenoten de meeste tijd over onderwerpen van sociale, politieke, en commerciële aard: er werd nauwelijks over religie gesproken. Voor het eerst ontdekten Gonod en Ganid dat Jezus een goed verteller was, en zij lieten hem voortdurend verhalen over zijn jeugd in Galilea. Zij hoorden zo ook dat hij was grootgebracht in Galilea, en niet in Jeruzalem of Damascus.

130:7.2

Ganid had opgemerkt dat de meeste mensen die zij toevallig ontmoetten, zich tot Jezus voelden aangetrokken, en toen hij vroeg wat men kon doen om vrienden te maken, zei zijn leraar: ‘Ga je interesseren voor je medemensen; leer hoe je van hen moet houden en zoek de gelegenheid om iets voor hen te doen waarvan je zeker bent dat ze het graag gedaan willen hebben,’ en toen haalde hij het oude Joodse spreekwood aan: ‘Iemand die graag vrienden wil hebben, moet tonen dat hij zelf een vriend kan zijn.’

130:7.3

In Carthago had Jezus een lang, gedenkwaardig gesprek met een Mithras-priester over onsterfelijkheid, over tijd en eeuwigheid. Deze Pers was opgeleid in Alexandrië, en hij wilde werkelijk leren van Jezus. Samengevat in hedendaagse bewoordingen zei Jezus, in antwoord op zijn vele vragen, het volgende:

130:7.4

De tijd is de rivier van voortstromende, op elkaar volgende gebeurtenissen, zoals waargenomen door de bewustheid van het schepsel. Tijd is de naam die gegeven wordt aan de opeenvolging-rangschikking waardoor gebeurtenissen worden herkend en afzonderlijk worden onderscheiden. Het universum in de ruimte is een met de tijd verbonden verschijnsel als het wordt waargenomen vanuit een daarbinnen gelegen positie, buiten het vaste Paradijs, het verblijf van de existentiële Godheid. De beweging van de tijd wordt alleen onthuld in betrekking tot iets dat niet als een tijdsverschijnsel in de ruimte beweegt. In het universum van universa transcenderen het Paradijs en de Godheden zowel tijd als ruimte. Op de bewoonde werelden is de menselijke persoonlijkheid (waarin de geest van de Paradijs-Vader woont en de persoonlijkheid richting geeft) de enige met het fysische verbonden werkelijkheid die de materiële opeenvolging van gebeurtenissen in de tijd kan transcenderen.

130:7.5

Dieren voelen de tijd niet zoals de mens, en zelfs aan de mens verschijnt de tijd, vanwege zijn lokale, begrensde blik, als een opeenvolging van gebeurtenissen; maar naarmate de mens opklimt, naarmate hij verder naar binnen gaat, is de steeds wijdere blik op deze processie van gebeurtenissen van dien aard, dat deze meer en meer in haar heelheid wordt onderscheiden. Dat wat eerder verscheen als een opeenvolging van gebeurtenisen, zal dan gezien worden als een volledige cyclus die volmaakt samenhangt; op deze wijze zal circulaire simultaneïteit steeds meer in de plaats komen van de vroegere bewustheid van de lineaire opeenvolging der gebeurtenissen.

130:7.6

Er zijn zeven verschillende opvattingen van de ruimte zoals deze door tijd wordt bepaald. De ruimte wordt gemeten door tijd, niet tijd door ruimte. De verwarring van de wetenschapsbeoefenaar wordt veroorzaakt doordat hij niet inziet dat de ruimte een werkelijkheid is. De ruimte is niet alleen maar een verstandelijke voorstelling inzake de variatie in het verband tussen objecten in het universum. De ruimte is niet leeg, en het enige dat de mens kent dat zelfs maar gedeeltelijk de ruimte kan transcenderen, is bewustzijn. Bewustzijn kan onafhankelijk van het begrip van de ruimte-verbondenheid van materiële objecten functioneren. De ruimte is relatief en vergelijkenderwijs eindig voor alle wezens die de status van schepsel hebben. Hoe dichter de bewustheid het besef van zeven kosmische dimensies benadert, hoe meer het idee van de potentiële ruimte de ultimiteit benadert. Maar het ruimte-potentieel is pas echt ultiem op het absolute niveau.

130:7.7

Het moet duidelijk zijn dat de universele werkelijkheid een steeds wijdere en altijd relatieve betekenis heeft op de hogere en volmaakter wordende niveaus van de kosmos. Uiteindelijk bereiken overlevende stervelingen identiteit in een zeven-dimensionaal universum.

130:7.8

Het tijd-ruimte-begrip in het denken van een mens van materiële oorsprong is voorbestemd om telkens weer een verruiming te ondergaan, terwijl die bewuste, zich begrippen vormende persoonlijkheid de opgaande niveaus van het universum doorloopt. Wanneer de mens het bewustzijn bereikt dat tussen de materiële en geestelijke niveaus van het bestaan in ligt, zullen zijn ideeën over tijd-ruimte enorm verruimd worden, zowel wat betreft de kwaliteit van waarneming als de kwantiteit van ervaring. De zich verruimende kosmische opvattingen van een vorderende geest-persoonlijkheid komen voort zowel uit een dieper inzicht als uit een toegenomen omvang van de bewustheid. En naarmate de persoonlijkheid verder gaat, opwaarts en inwaarts, naar de transcendentale niveaus van Godheid-gelijkenis, zal zijn tijd-ruimte-begrip steeds meer de tijdloze en ruimteloze begrippen van de Absoluten benaderen. In relatieve mate, en overeenkomstig hun transcendentale vorderingen, zullen deze begrippen van het absolute niveau tot de voorstelling gaan behoren van de kinderen met ultieme bestemming.


◄ 130:6
 
130:8 ►