◄ Verhandeling 122
Deel 4 ▲
Verhandeling 124 ►
Verhandeling 123

De vroege kinderjaren van Jezus

TEN gevolge van de onzekerheid en ongerustheid tijdens hun verblijf in Betlehem, speende Maria de baby pas toen zij veilig in Alexandrië waren aangekomen, waar het gezin een normaal leven kon beginnen te leiden. Zij woonden bij verwanten en Jozef kon goed in het onderhoud van zijn gezin voorzien doordat hij al kort na hun aankomst werk kreeg. Hij werkte verscheidene maanden als timmerman en werd toen bevorderd tot voorman van een grote ploeg arbeiders die werkte aan een van de openbare gebouwen die toen in aanbouw waren. Door deze nieuwe ervaring kwam hij op de gedachte om aannemer en bouwer te worden wanneer ze in Nazaret terug zouden zijn.

123:0.2

Tijdens deze eerste levensjaren van Jezus, toen hij nog een hulpeloos kindje was, hield Maria voortdurend de wacht opdat haar kind toch maar niets zou overkomen dat zijn welzijn in gevaar zou kunnen brengen of zijn toekomstige zending op aarde zou kunnen verstoren: geen moeder heeft ooit grotere toewijding aan haar kind aan de dag gelegd. In het huis waar Jezus kwam te wonen, waren nog twee andere kinderen van ongeveer dezelfde leeftijd, en bij de naaste buren waren er nog zes anderen die in leeftijd niet te veel van Jezus verschilden om goede speelmakkertjes voor hem te zijn. Eerst was Maria geneigd Jezus vlak bij zich te houden. Zij was bang dat er iets met hem zou gebeuren als zij hem met de andere kinderen in de tuin liet spelen, maar Jozef kon haar met hulp van zijn verwanten ervan overtuigen dat zo’n handelwijze Jezus de nuttige ervaring zou onthouden om zich te leren aanpassen aan kinderen van zijn eigen leeftijd. En toen Maria besefte dat zij, indien zij haar kind al te zeer onder haar hoede zou houden en overmatig zou beschermen, hem wellicht zijn spontaneïteit zou ontnemen en hem enigszins egocentrisch zou kunnen maken, stemde zij ten slotte in met het plan om het kind der belofte net als andere kinderen te laten opgroeien. En ofschoon zij zich aan deze beslissing hield, stelde ze zich ten taak om de peuters altijd in het oog te houden als zij in huis of in de tuin speelden. Alleen een liefhebbende moeder weet welke verantwoordelijkheid Maria in haar hart voelde voor de veiligheid van haar zoon als baby en als klein kind.

123:0.3

Gedurende deze twee jaar van hun verblijf te Alexandrië genoot Jezus een goede gezondheid en bleef hij normaal groeien. Afgezien van enkele vrienden en verwanten, werd niemand verteld dat Jezus een ‘kind der belofte’ was. Eén van Jozefs verwanten onthulde dit echter wel aan enkele vrienden in Memfis, afstammelingen van Ichnaton uit het verre verleden. Deze vrienden kwamen met een kleine groep gelovigen uit Alexandrië bijeen in het vorstelijke huis van Jozefs familielid en weldoener, kort voor de terugkeer naar Palestina, om de familie uit Nazaret goede reis te wensen en hun respect te betuigen aan het kind. Bij deze gelegenheid schonken de bijeengekomen vrienden Jezus een volledig afschrift van de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Schrift. Dit afschrift van de Joodse heilige geschriften werd Jozef echter pas overhandigd toen hij en Maria de uitnodiging van hun vrienden uit Memfis en Alexandrië om in Egypte te blijven, definitief hadden afgeslagen. Deze gelovigen legden er de nadruk op dat dit kind met zijn bijzondere bestemming een veel grotere invloed in de wereld zou kunnen uitoefenen als inwoner van Alexandrië dan vanuit welke stad dan ook in Palestina die werd genoemd. Deze overredingen vertraagden het vertrek naar Palestina nog enige tijd nadat het nieuws van Herodes’ dood hen had bereikt.

123:0.4

Jozef en Maria vertrokken ten slotte op een schip dat toebehoorde aan hun vriend Ezraeon uit Alexandrië naar Joppe, in welke havenstad zij laat in augustus van het jaar 4. v.Chr. arriveerden. Zij gingen rechtstreeks naar Betlehem, waar ze de gehele maand september bij hun vrienden en verwanten doorbrachten en met dezen overlegden of zij daar zouden blijven of zouden terugkeren naar Nazaret.

123:0.5

Maria had de gedachte dat Jezus behoorde op te groeien in Betlehem, de Stad Davids, nooit geheel laten varen. Jozef geloofde eigenlijk niet dat hun zoon een koninklijke bevrijder van Israel zou worden. Bovendien wist hij dat hijzelf niet werkelijk een afstammeling van David was; hij wist dat het feit dat hij tot de afstammelingen van David gerekend werd, te danken was aan de adoptie van een van zijn voorvaderen in de Davidische lijn van afstamming. Maria vond de Stad van David natuurlijk de meest geschikte plaats om de nieuwe kandidaat voor de troon van David groot te brengen, maar Jozef nam liever het risico van een verblijf onder Herodes Antipas dan onder diens broer Archelaüs. Hij vreesde ten zeerste voor de veiligheid van het kind in Betlehem of in enige andere stad in Judea, en meende dat het waarschijnlijker was dat Archelaüs de bedreigende politiek van zijn vader Herodes zou voortzetten, dan dat Antipas in Galilea dit zou doen. En nog afgezien van al deze redenen, had Jozef een uitgesproken voorkeur voor Galilea als omgeving om het kind groot te brengen en op te voeden, maar het duurde drie weken voordat Maria’s bezwaren overwonnen waren.

123:0.6

Op 1 oktober had Jozef Maria en al hun vrienden ervan overtuigd, dat het het beste voor hen zou zijn om naar Nazaret terug te keren. En dus vertrokken zij in het begin van de maand oktober van het jaar 4 v.Chr. uit Betlehem naar Nazaret, via Lydda en Skytopolis. Zij begonnen de tocht op een zondagmorgen vroeg; Maria en het kind reden op hun pas gekochte lastdier, terwijl Jozef en vijf verwanten die hen vergezelden, te voet gingen. De familieleden van Jozef hadden geweigerd hen de tocht naar Nazaret alleen te laten maken. Zij durfden niet naar Galilea te reizen via Jeruzalem en het Jordaandal, en de westelijke routes waren niet geheel veilig voor twee eenzame reizigers met een nog heel jong kind.

1. Terug in Nazaret

123:1.1

Op de vierde dag van de reis bereikte het gezelschap veilig zijn bestemming. Ze kwamen onaangekondigd bij hun woning te Nazaret aan, die één van de getrouwde broers van Jozef langer dan drie jaar had bewoond, en deze was meer dan verrast hen weer te zien; ze waren zo onopvallend te werk gegaan, dat noch de familie van Jozef, noch die van Maria zelfs maar wisten dat ze Alexandrië hadden verlaten. De volgende dag verhuisde Jozefs broer met zijn familie, en voor het eerst sinds de geboorte van Jezus installeerde Maria zich met haar kleine gezin in hun eigen huis. Binnen een week kreeg Jozef werk als timmerman, en ze waren overgelukkig.

123:1.2

Jezus was ongeveer drie jaar en twee maanden toen ze in Nazaret terugkwamen. Hij had al deze tochten heel goed doorstaan en verkeerde in uitstekende gezondheid; hij was op kinderlijke wijze opgetogen en opgewonden nu hij een eigen huis en erf had waar hij kon rondrennen en zich vermaken. Het gezelschap van zijn speelmakkertjes in Alexandrië miste hij echter erg.

123:1.3

Op weg naar Nazaret had Jozef Maria ervan overtuigd dat het niet verstandig zou zijn hun vrienden en verwanten in Galilea te laten weten dat Jezus een kind der belofte was. Ze kwamen overeen zich in te houden en tegen niemand van deze zaak te reppen, en ze hielden zich beiden zeer trouw aan deze belofte.

123:1.4

Het gehele vierde levensjaar van Jezus was een periode van normale lichamelijke ontwikkeling en buitengewone mentale activiteit. Hij was intussen zeer gehecht geraakt aan een buurjongetje van zijn eigen leeftijd, dat Jakob heette. Jezus en Jakob waren altijd gelukkig als ze samen speelden en toen ze groter werden, werden ze dikke vrienden en trouwe kameraden.

123:1.5

De volgende grote gebeurtenis in het leven van dit gezin in Nazaret was de geboorte van Jakobus, het tweede kind, in de vroege ochtend van de tweede april, in het jaar 3 v.Chr.. Jezus was verrukt bij de gedachte dat hij nu een broertje had, en kon urenlang bij hem staan om alleen maar te kijken naar de eerste activiteiten van de baby.

123:1.6

In het midden van de zomer van dit jaar bouwde Jozef een kleine werkplaats dichtbij de dorpsbron en bij het terrein waar de karavanen stilhielden. Hierna deed hij overdag nog maar weinig timmermanswerk. Twee van zijn broers en verschillende andere handwerkslieden werkten bij hem, en dezen stuurde hij erop uit terwijl hijzelf in de werkplaats bleef om jukken, ploegen en andere houten voorwerpen te maken. Hij werkte ook zo nu en dan met leer, en met touw en canvas. Toen Jezus groter werd, bracht hij wanneer hij niet op school was, dan ook ongeveer evenveel tijd door met het helpen van zijn moeder bij de huishoudelijke taken als met het toekijken bij het werk van zijn vader in de werkplaats, ondertussen luisterend naar de gesprekken en praatjes van de karavaanleiders en -passagiers die uit alle windstreken kwamen.

123:1.7

In juli van dit jaar, een maand voordat Jezus vier jaar werd, brak er door het contact met de karavaanreizigers een ernstige ingewandsziekte uit die zich door geheel Nazaret verspreidde. Maria maakte zich zo ongerust over het gevaar dat Jezus liep door deze epidemie, dat ze haar beide kinderen inpakte en naar het huis van haar broer vluchtte, die verscheidene mijlen ten zuiden van Nazaret buiten woonde aan de weg naar Megiddo bij Sarid. Ze kwamen pas ruim twee maanden later naar Nazaret terug. Jezus genoot bijzonder van zijn eerste ervaringen op een boerderij.

2. Het vijfde jaar (2 v.Chr.)

123:2.1

Iets meer dan een jaar na zijn terugkeer in Nazaret bereikte de jongen Jezus de leeftijd dat hij voor het eerst persoonlijk en van ganser harte een morele beslissing nam; en een Gedachtenrichter kwam in hem wonen, een goddelijk geschenk van de Paradijs-Vader. Deze Richter had eerder gediend bij Machiventa Melchizedek, en aldus ervaring opgedaan met het functioneren in verband met de incarnatie van een bovensterfelijk wezen, levend in de gelijkenis van het sterfelijk vlees. Deze gebeurtenis vond plaats op 11 februari van het jaar 2 v.Chr.. Jezus merkte de komst van de goddelijke Mentor evenmin op als de vele miljoenen andere kinderen die voor en na deze dag eveneens deze Gedachtenrichters hebben ontvangen, die in hun bewustzijn komen wonen en werken ten behoeve van de uiteindelijke vergeestelijking van dit bewustzijn en van het tot eeuwig leven komen van hun zich ontwikkelende onsterfelijke ziel.

123:2.2

Op deze dag in februari eindigde de rechtstreekse persoonlijke supervisie van de Regeerders van het Universum, voorzover deze betrekking had op de integriteit van de kind-incarnatie van Michael. Van die tijd af zou de hoede over Jezus gedurende de hele verdere menselijke ontplooiing van de incarnatie bij deze inwonende Richter berusten en bij de met hem verbonden serafijnse beschermers, van tijd tot tijd aangevuld met het dienstbetoon van middenwezens die waren aangesteld om zekere specifieke taken te verrichten, overeenkomstig de instructie van hun planetaire meerderen.

123:2.3

In augustus van dit jaar werd Jezus vijf jaar, en wij zullen daarom dit (kalender) jaar als zijn vijfde levensjaar aanduiden. In dit jaar, 2 v.Chr., ruim een maand voor zijn vijfde verjaardag, werd Jezus zeer verblijd door de komst van zijn zusje Mirjam, dat in de nacht van 11 juli werd geboren. De volgende avond had Jezus een lang gesprek met zijn vader over de manier waarop verschillende soorten levende wezens als aparte individuen ter wereld komen. Het meest waardevolle gedeelte van Jezus’ eerste opvoeding kreeg hij van zijn ouders, in antwoord op zijn diepgaande vragen die van veel nadenken getuigden. Jozef voldeed altijd geheel aan zijn verplichting om zich moeite te getroosten de vele vragen van de jongen te beantwoorden en daaraan de nodige tijd te besteden. Van zijn vijfde tot zijn tiende jaar was Jezus één voortdurend vraagteken. Hoewel Jozef en Maria niet altijd antwoord konden geven op zijn vragen, bespraken zij deze wel altijd volledig met hem en trachtten zij hem op alle mogelijke manieren te helpen bij zijn inspanningen om een bevredigende oplossing te vinden voor ieder probleem dat zich aan zijn wakker verstand had voorgedaan.

123:2.4

Vanaf hun terugkeer in Nazaret was het druk geweest bij hen thuis, en Jozef was buitengewoon in beslag genomen geweest door het bouwen van zijn nieuwe werkplaats en het opnieuw op gang brengen van zijn zaak. Hij had het zó druk gehad, dat hij geen tijd had kunnen vinden om een wieg te maken voor Jakobus, maar lang voordat Mirjam kwam, was dit verholpen, zodat zij een heel gerieflijke wieg had waarin ze heerlijk kon liggen terwijl het hele gezin haar bewonderde. Het kind Jezus nam enthousiast deel aan al deze natuurlijke, normale huiselijke ervaringen. Hij genoot erg van zijn kleine broertje en zijn baby-zusje en was een grote hulp voor Maria bij hun verzorging.

123:2.5

Er waren maar weinig ouderlijke huizen in de niet-Joodse wereld van die dagen waar een kind een betere verstandelijke, morele en godsdienstige opvoeding kon krijgen dan in de Joodse gezinnen in Galilea. Deze Joden hadden een systematisch programma voor het grootbrengen en opvoeden van hun kinderen. Zij deelden het leven van een kind in zeven stadia in:

123:2.6

1. het pasgeboren kind, de eerste tot de achtste dag;

123:2.7

2. de zuigeling;

123:2.8

3. het gespeende kind;

123:2.9

4. de periode van afhankelijkheid van de moeder, die tot aan het einde van het vijfde jaar duurde;

123:2.10

5. de beginnende onafhankelijkheid van het kind, waarin de vader, wat de zonen, de verantwoordelijkheid voor de opvoeding op zich nam;

123:2.11

6. de adolescente jongelingen en jonge meisjes;

123:2.12

7. de jonge mannen en de jonge vrouwen.

123:2.13

Het was gebruikelijk onder de Joden in Galilea dat de moeder tot aan de vijfde verjaardag de verantwoordelijkheid droeg voor de opvoeding van het kind, en dat vanaf dat tijdstip in het geval van een jongetje de verantwoordelijkheid voor de opvoeding door de vader werd gedragen. Dit jaar ging Jezus dus het vijfde stadium in van de levensloop van een Joods kind in Galilea, en dientengevolge droeg Maria hem op 21 augustus, 2 v.Chr., formeel over aan Jozef voor zijn verdere onderricht.

123:2.14

Ofschoon Jozef nu de rechtstreekse verantwoordelijkheid voor de verstandelijke en godsdienstige opvoeding op zich nam, bleef zijn moeder nog steeds betrokken bij zijn opvoeding in huis. Zij leerde hem de wijnstokken en bloemen kennen en ervoor te zorgen. Deze groeiden over en langs de muren die het gehele erf omringden. Ook plaatste zij op het dak van het huis (de zomer-slaapkamer) ondiepe bakken met zand, waarin Jezus stad- en landkaarten tekende en zich begon te oefenen in het schrijven in het Aramees, Grieks, en later Hebreeuws, want hij leerde mettertijd alle drie talen lezen, schrijven en vloeiend spreken.

123:2.15

In lichamelijk opzicht bleek Jezus een welhaast volmaakt kind en ook mentaal en emotioneel ontwikkelde hij zich normaal. In de tweede helft van dit vijfde (kalender) jaar kreeg hij een lichte stoornis van de spijsvertering, zijn eerste, maar niet ernstige ziekte.

123:2.16

Ofschoon Jozef en Maria dikwijls over de toekomst van hun oudste kind spraken, zoudt ge, indien ge erbij was geweest, alleen maar een normaal, gezond, onbezorgd, maar buitengewoon weetgierig kind uit die tijd en streek hebben zien opgroeien.

3. De gebeurtenissen in het zesde jaar (1 v.Chr.)

123:3.1

Jezus had reeds, met hulp van zijn moeder, het Galilese dialect van de Aramese taal onder de knie gekregen, en nu begon zijn vader hem Grieks te leren. Maria sprak weinig Grieks, maar Jozef sprak zowel het Aramees als het Grieks vloeiend. Het leerboek voor de studie van de Griekse taal was het afschrift van de Hebreeuwse Schrift—een volledige weergave van de wet en de profeten, de Psalmen inbegrepen—dat hun geschonken was toen zij Egypte verlieten. Er waren in heel Nazaret maar twee complete afschriften van de Schrift in het Grieks, en doordat het timmermansgezin er één van bezat, werd het huis van Jozef druk bezocht, waardoor Jezus toen hij groter werd een haast eindeloze stoet mensen kon ontmoeten die ernstig studie maakten van de Schrift en oprechte zoekers naar waarheid waren. Vóór het einde van dit jaar had Jezus de zorg voor dit onschatbare manuscript op zich genomen, want op zijn zesde verjaardag was hem verteld dat hij dit heilige boek ten geschenke had gekregen van vrienden en verwanten in Alexandrië. Na heel korte tijd kon hij het al vlot lezen.

123:3.2

De eerste grote schok in zijn jonge leven ondervond Jezus toen hij bijna zes jaar was. Het had de jongen altijd toegeschenen dat zijn vader—althans zijn vader en moeder samen—alles wisten. Stelt u zich daarom de verbazing van dit weetgierige kind voor toen hij zijn vader vroeg naar de oorzaak van een lichte aardbeving die net had plaatsgevonden en hij Jozef hoorde zeggen ‘Zoon, ik weet het werkelijk niet.’ Zo begon de lange, verwarrende periode van ontgoocheling, gedurende welke Jezus merkte dat zijn aardse ouders niet alwijs en alwetend waren.

123:3.3

De eerste gedachte die bij Jozef opkwam, was om Jezus te vertellen dat de aardbeving veroorzaakt was door God, maar toen hij een ogenblik nadacht, voelde hij dat zo’n antwoord ogenblikkelijk meer vragen zou oproepen die hem nog meer in verlegenheid zouden kunnen brengen. Zelfs toen Jezus nog heel jong was, was het al heel moeilijk om zijn vragen over fysische of sociale verschijnselen te beantwoorden door hem gedachteloos te zeggen dat God of de duivel ervoor verantwoordelijk waren. In overeenstemming met het heersende geloof onder het Joodse volk, was Jezus lang bereid om de leer van goede en slechte geesten te accepteren als mogelijke verklaring voor mentale en geestelijke verschijnselen, maar al heel vroeg begon hij eraan te twijfelen of zulke onzienlijke invloeden verantwoordelijk waren voor de fysische gebeurtenissen in de wereld der natuur.

123:3.4

Vóór Jezus zes jaar werd, in het begin van de zomer van het jaar 1 v.Chr., kwamen Zacharias en Elisabet met hun zoon Johannes bij de familie in Nazaret op bezoek. Dit bezoek, het eerste bezoek dat zij zich konden herinneren, betekende voor Jezus en Johannes een paar gelukkige dagen. Ofschoon de gasten slechts een paar dagen konden blijven, bespraken de ouders vele zaken, waaronder de plannen voor de toekomst van hun zonen. Terwijl de ouders daarmee bezig waren, speelden de jongens met blokken in het zand op het dak van het huis en vermaakten zich op nog vele andere manieren, echt zoals jongens dat doen.

123:3.5

Nu hij Johannes, die uit de omstreken van Jeruzalem kwam, had leren kennen, begon Jezus een ongewone belangstelling aan de dag te leggen voor de geschiedenis van Israel en begon hij tot in bijzonderheden te vragen naar de betekenis van de riten op de Sabbat, de preken in de synagoge, en de jaarlijkse feestelijke gedenkdagen. Zijn vader legde hem de betekenis van al deze feestdagen uit. Het eerst kwam de feestelijke midwinter-verlichting, die acht dagen duurde en begon met het aansteken van één kaars op de eerste avond, terwijl er iedere volgende avond een kaars bij kwam; dit gebeurde ter gedachtenis aan de inwijding van de tempel na de herinvoering van de Mozaïsche diensten door Judas Maccabeüs. Vervolgens kwam vroeg in het voorjaar de viering van Purim, het feest van Ester en de verlossing van Israel, die zij bewerkte. Dan volgde het plechtige Pascha dat de volwassenen zoveel mogelijk in Jeruzalem vierden, terwijl de kinderen thuis eraan dienden te denken dat zij de hele week alleen ongezuurd brood mochten eten. Daarna kwam het feest der eerstelingen, het binnenhalen van de oogst; en ten slotte het plechtigste van alle feesten, het nieuwjaarsfeest, de grote verzoendag. Hoewel sommige van deze feest- en gedenkdagen nog moeilijk te begrijpen waren voor het jonge verstand van Jezus, dacht hij er ernstig over na en gaf zich daarna geheel over aan het loofhuttenfeest, de jaarlijkse vakantietijd van het gehele Joodse volk, de tijd dat iedereen kampeerde in loofhutten en zich overgaf aan vrolijkheid en plezier.

123:3.6

Gedurende dit jaar hadden Jozef en Maria moeilijkheden met Jezus over zijn manier van bidden. Hij stond erop om ongeveer net zo met zijn hemelse Vader te praten zoals hij dit gewoon was met Jozef, zijn aardse vader. Dit loslaten van de meer plechtige en eerbiedige wijze van communiceren met de Godheid bracht zijn ouders, vooral zijn moeder, enigszins van hun stuk, maar ze konden hem er met geen mogelijkheid toe krijgen dit te veranderen; hij zei gewoon zijn gebeden op zoals hem dit geleerd was, waarna hij erop stond ‘nog een klein gesprekje met mijn Vader in de hemel te hebben.’

123:3.7

In juni van dit jaar droeg Jozef de werkplaats in Nazaret over aan zijn broers en begon hij officieel als bouwaannemer. Nog voor het einde van het jaar had het gezinsinkomen zich meer dan verdrievoudigd. Vóór de dood van Jozef zou het gezin in Nazaret de armoede nooit opnieuw voelen nijpen. Het gezin werd groter en groter en zij gaven veel geld uit aan extra onderwijs en reizen, maar het groeiende inkomen van Jozef hield aldoor gelijke tred met de stijgende uitgaven.

123:3.8

De eerstvolgende jaren voerde Jozef veel werken uit in Kana, Betlehem (in Galilea), Magdala, Naïn, Sepforis, Kafarnaüm en Endor, terwijl hij ook veel bouwde in en rond Nazaret. Daar Jakobus de leeftijd had gekregen om zijn moeder te kunnen helpen bij het werk in huis en de zorg voor de jongere kinderen, ging Jezus er dikwijls met zijn vader op uit om tochten te maken naar deze omliggende steden en dorpen. Jezus was een oplettend waarnemer en deze tochten weg van huis leverden hem veel praktische kennis op; hij was ijverig kennis aan het verzamelen omtrent de mens en zijn levenswijze op aarde.

123:3.9

Dit jaar maakte Jezus grote vorderingen in de aanpassing van zijn sterke gevoelens en krachtige impulsiviteit aan de eisen die de samenwerking en discipline in het gezin stelden. Maria was een lieve moeder, maar ze hield de teugels vrij strak in handen. Jozef echter oefende in vele opzichten de grootste invloed uit op Jezus, omdat hij er een gewoonte van maakte om bij de jongen te gaan zitten en hem helemaal duidelijk te maken wat de werkelijke redenen waren die ten grondslag lagen aan de noodzaak om met discipline zijn persoonlijke verlangens in te perken terwille van het welzijn en de rust van het gehele gezin. Wanneer men Jezus de situatie had uitgelegd, was hij altijd bereid om op verstandige wijze mee te werken aan hetgeen zijn ouders wilden en de regels die in het gezin golden in acht te nemen.

123:3.10

Veel van zijn vrije tijd—wanneer zijn moeder zijn hulp in huis niet nodig had—besteedde hij overdag aan het bestuderen van bloemen en planten en ’s nachts van de sterren. Hij legde een lastige neiging aan de dag om lang na zijn gebruikelijke bedtijd in deze goed geregelde huishouding in Nazaret, op zijn rug te liggen en vol verwondering omhoog te staren naar de met sterren bezaaide hemel.

4. Het zevende jaar (A.D. 1)

123:4.1

Dit was werkelijk een veelbewogen jaar in Jezus’ leven. In het begin van januari deed zich een zware sneeuwstorm voor in Galilea. De sneeuw lag ruim een halve meter hoog, het was de zwaarste sneeuwval die Jezus in zijn hele leven ooit te zien kreeg en een van de zwaarste in Nazaret in honderd jaar.

123:4.2

Het spelen van de Joodse kinderen in de tijd van Jezus was nogal beperkt: maar al te dikwijls speelden de kinderen de ernstiger dingen die zij de volwassenen zagen doen na. Ze speelden bruiloftje en begrafenis, de ceremoniën die zij zo dikwijls gadesloegen en die zo spectaculair waren. Ze dansten en zongen, doch ze kenden slechts weinig georganiseerde spelen waarvan de kinderen uit latere tijden zo genieten.

123:4.3

Jezus hield ervan om samen met een buurjongen en later met zijn broertje Jakobus, in de verste hoek van de timmermanswerkplaats van hun huis te spelen, waar ze zich zeer vermaakten met houtkrullen en houtblokken. Het viel Jezus altijd moeilijk te begrijpen wat voor kwaad er in bepaalde spelletjes kon steken die op de Sabbat verboden waren, maar hij schikte zich steeds naar de wensen van zijn ouders. Hij had gevoel voor humor en hield van spelletjes, maar in de omgeving van zijn tijd en generatie kreeg dit maar weinig gelegenheid tot uitdrukking te komen; tot zijn veertiende jaar was hij echter meestal vrolijk en onbezorgd.

123:4.4

Maria had een duiventil bovenop de stal naast het huis, en ze gebruikten de winst van de verkoop van de duiven als een speciaal fonds voor liefdadigheid, waar Jezus het beheer over had nadat hij de tienden ervan had afgetrokken en overhandigd aan de beambte van de synagoge.

123:4.5

Het enige echte ongeluk dat Jezus tot dusver was overkomen, was een val van de stenen trap die van het achtererf leidde naar de slaapkamer op het dak met haar canvas overdekking. Dit gebeurde in juli, tijdens een onverwachte zandstorm uit het oosten. De hete wind die wolken fijn zand met zich meevoerde, waaide gewoonlijk in de regentijd, vooral in maart en april. Het was ongewoon dat zo’n storm zich in juli voordeed. Toen de storm kwam opzetten, speelde Jezus zoals gewoonlijk op het dak, want gedurende het droge seizoen was dit zijn gebruikelijke speelplaats. Toen hij de trap afliep, werd hij verblind door het zand en viel. Na dit ongeval maakte Jozef aan beide zijden van de trap een leuning.

123:4.6

Dit ongeval had op geen enkele wijze kunnen worden voorkomen. Men kon de middenwezens, één primaire en één secundaire, die aangewezen waren als tijdelijke beschermers van de jongen, niet beschuldigen van verwaarlozing van hun taak en evenmin kon dit verweten worden aan de serafijnse beschermers. Het kon eenvoudig niet worden vermeden. Maar dit kleine ongeluk, dat gebeurde toen Jozef van huis was in Endor, maakte dat Maria zo angstig werd, dat zij een paar maanden lang Jezus heel dicht bij zich in de buurt trachtte te houden, hetgeen niet verstandig was.

123:4.7

Hemelse persoonlijkheden komen niet eigenmachtig tussenbeide bij materiële ongevallen, gewone voorvallen van fysische aard. Onder gewone omstandigheden kunnen alleen middenwezens ingrijpen in materiële omstandigheden om de personen van mannen en vrouwen met een speciale bestemming te beschermen, en zelfs in speciale situaties kunnen deze wezens alleen maar zo optreden ingevolge speciale opdrachten van hun meerderen.

123:4.8

Dit was dan ook maar één van een aantal van zulke kleine ongevallen die deze weetgierige, avontuurlijke jongen later overkwamen. Wanneer ge u de gemiddelde jeugdjaren van een ondernemende jongen voorstelt, krijgt ge een tamelijk goed idee van de jeugdige levensloop van Jezus en zult ge u wel kunnen indenken hoeveel ongerustheid hij zijn ouders, vooral zijn moeder, bezorgde.

123:4.9

Het vierde lid van het gezin te Nazaret, Jozef, werd in de ochtend van woensdag, 16 maart, a.d. 1, geboren.

5. De Sshooldagen in Nazaret

123:5.1

Jezus was nu zeven jaar, de leeftijd waarop Joodse kinderen aan het officiële onderwijs in de synagogescholen behoorden te beginnen. In augustus van dit jaar begon dus zijn gedenkwaardige schoolleven in Nazaret. De jongen kon reeds twee talen, Aramees en Grieks, vloeiend lezen, schrijven en spreken. Hij zou zich nu vertrouwd maken met de taak om de Hebreeuwse taal te leren lezen, schrijven en spreken. Hij was werkelijk verlangend naar het nieuwe schoolleven dat voor hem lag.

123:5.2

Drie jaar lang—tot hij tien was—bezocht hij de lagere school van de synagoge te Nazaret. Gedurende deze drie jaren leerde hij de grondbeginselen van het Boek der Wet zoals het was vastgelegd in de Hebreeuwse taal. De volgende drie jaren genoot hij onderwijs in de school voor gevorderden en leerde hij de meer diepgaande leringen van de heilige wet van buiten, via de methode van het hardop herhalen. Hij beëindigde zijn opleiding aan deze synagogeschool op zijn dertiende jaar en werd door de oversten der synagoge aan zijn ouders overgedragen als een ‘zoon der wet’ die zijn opleiding had ontvangen—voortaan een verantwoordelijk burger van de gemeenschap van Israel; dit alles hield ook in dat hij het Pascha in Jeruzalem kon bijwonen en dus woonde hij dat jaar zijn eerste Pascha bij in gezelschap van zijn vader en moeder.

123:5.3

Nazaret zaten de leerlingen in een halve cirkel op de grond terwijl hun onderwijzer, de chazan, een beambte van de synagoge, tegenover hen zat. Zij begonnen met het boek Leviticus en gingen dan verder met het bestuderen van de andere boeken der wet, gevolgd door de studie van de Profeten en de Psalmen. De synagoge te Nazaret bezat een volledig afschrift van de Schrift in het Hebreeuws. Vóór het twaalfde jaar werd alleen maar de Schrift bestudeerd. Gedurende de zomermaanden werden de schooluren sterk bekort.

123:5.4

Jezus werd het Hebreeuws al vroeg meester, en als er geen belangrijke bezoeker in Nazaret verbleef, vroeg men hem toen hij nog maar een jonge man was, dikwijls om de Hebreeuwse Schrift voor te lezen aan de gelovigen die voor de geregelde Sabbatsdiensten in de synagoge bijeenkwamen.

123:5.5

Deze synagogescholen hadden natuurlijk geen leerboeken. Bij zijn onderricht zei de chazan een tekst voor en de leerlingen zegden hem deze gezamenlijk na. Wanneer hij de geschreven boeken der wet ter hand mocht nemen, leerde de leerling zijn les door hardop te lezen en door voortdurende herhaling.

123:5.6

Nast zijn meer formele schoolopleiding begon Jezus vervolgens ook contact te maken met de menselijke natuur uit alle vier de windstreken, daar mannen uit velerlei landen de reparatiewerkplaats van zijn vader in-en uitgingen. Toen hij ouder werd, bewoog hij zich vrijelijk tussen de karavanen wanneer deze stilhielden bij de bron om te rusten en te eten. Omdat hij vloeiend Grieks sprak, kostte het hem weinig moeite zich met het merendeel van de karavaanreizigers en -leiders te onderhouden.

123:5.7

Nazaret was een halteplaats aan de karavaanweg en een kruispunt voor het reizigersverkeer; het had een overwegend niet-Joodse bevolking en stond tezelfdertijd wijd en zijd bekend als een centrum van vrijzinnige interpretatie van de Joodse traditionele wetgeving. In Galilea gingen de Joden vrijer met de niet-Joden om dan de gewoonte was in Judea. Van alle steden in Galilea waren de Joden in Nazaret het meest liberaal in hun opvatting over de sociale beperkingen die berustten op vrees voor besmetting als gevolg van contact met niet-Joden. Deze toestand maakte dan ook dat men in Jeruzalem gewoon was te zeggen: ‘Kan er uit Nazaret iets goeds komen?’

123:5.8

Jezus ontving zijn morele opvoeding en geestelijke ontwikkeling voornamelijk thuis. Een groot deel van zijn verstandelijke en theologische opvoeding had hij te danken aan de chazan. Maar zijn werkelijke opvoeding—de toerusting van verstand en hart voor de werkelijke test, het worstelen met de moeilijke levensproblemen—verkreeg hij door zich te mengen onder zijn medemensen. Deze nauwe omgang met zijn medemensen, jong en oud, Jood en niet-Jood, bood hem de gelegenheid het mensdom te leren kennen. Jezus was zeer ontwikkeld, in de zin dat hij de mensen door en door begreep en hen met overgave liefhad.

123:5.9

Al deze jaren in de synagoge was hij een uitmuntende leerling, die het grote voordeel had dat hij drie talen goed kende. De chazan van Nazaret merkte op tegen Jozef, ter gelegenheid van de beëindiging van Jezus’ schooltijd, dat hij vreesde ‘meer geleerd te hebben van Jezus’ diepgaande vragen’ dan dat hij ‘de jongen had kunnen leren.’

123:5.10

Zijn hele schooltijd leerde Jezus veel van, en werd hij zeer geïnspireerd door, de vaste Sabbatspreken in de synagoge. Het was gebruikelijk om aan voorname bezoekers, als zij de Sabbat in Nazaret doorbrachten, te vragen in de synagoge te spreken. Terwijl Jezus opgroeide, hoorde hij vele grote denkers uit de hele Joodse wereld hun inzichten uiteenzetten, en ook velen die nauwelijks orthodoxe Joden waren, want de synagoge te Nazaret was een progressief en vrijzinnig centrum van het Hebreeuwse denken en de Hebreeuwse cultuur.

123:5.11

Toen hij op zevenjarige leeftijd naar school ging (de Joden hadden toen juist een wet ingevoerd die onderwijs verplicht stelde) was het gebruikelijk dat de leerlingen hun ‘verjaardagstekst’ kozen, een soort gulden regel die hun tot leidraad moest dienen gedurende hun hele schooltijd en waarover zij vaak een uitvoerige verhandeling hielden aan het einde van hun schoolopleiding op dertienjarige leeftijd. De tekst die Jezus koos, was uit de Profeet Jesaja: ‘De geest van de Here God is op mij, want de Heer heeft mij gezalfd; hij heeft mij gezonden om het goede nieuws te verkondigen aan de zachtmoedigen, om de gebrokenen van hart te verbinden, om voor gevangenen vrijlating uit te roepen, en om geestelijk gebondenen te bevrijden.’

123:5.12

Nazaret was een van de vierentwintig priestercentra van de Hebreeuwse natie. Maar de priesters in Galilea waren vrijzinniger in de interpretatie van de traditionele wetten dan de schriftgeleerden en rabbi’s in Judea. In Nazaret waren zij bovendien vrijzinniger met betrekking tot het vieren van de Sabbat. Jozef had daarom de gewoonte om op Sabbatmiddagen met Jezus uit wandelen te gaan; een van hun geliefde uitstapjes daarbij was het beklimmen van een hoge heuvel, dichtbij hun huis, waar ze een panoramisch uitzicht hadden over geheel Galilea. Op heldere dagen konden ze in het noordwesten de lange bergrug van de berg Karmel zien die afliep naar de zee, en vele malen hoorde Jezus van zijn vader het verhaal over Elia, een der eersten uit de lange rij van Hebreeuwse profeten, die Ahab bestrafte en de priesters van Baäl aan de kaak stelde. In het noorden verhief de berg Hermon zijn besneeuwde top in majesteitelijke pracht en beheerste hij de horizon met zijn hoogste hellingen die bijna een kilometer lang wit oplichtten door de eeuwige sneeuw. Ver naar het oosten konden zij het dal van de Jordaan onderscheiden en nog veel verder de rotsige heuvels van de berg Moab. In het zuiden en het oosten konden zij ook, wanneer de zon op de marmeren muren scheen, de Grieks-Romeinse steden van de Dekapolis zien met hun amfitheaters en ostentatieve tempels. En wanneer ze bleven totdat de zon bijna onderging, konden ze in het westen de zeilschepen onderscheiden op de verre Middellandse Zee.

123:5.13

Uit vier richtingen kon Jezus de karavanen Nazaret zien naderen of verlaten, en naar het zuiden had hij uitzicht over de wijde, vruchtbare vlakte van Esdraelon, die zich uitstrekte tot aan de berg Gilboa en Samaria.

123:5.14

Als zij niet de hoogten beklommen om het landschap in de verte te zien, wandelden ze in de omgeving en observeerden ze de natuur in haar verschillende stemmingen die wisselden met de seizoenen. Naast wat hij bij de huiselijke haard leerde, had Jezus’ vroegste opvoeding te maken met een respectvol, warm contact met de natuur.

123:5.15

Vóór hij acht jaar oud was, kenden alle moeders en jonge vrouwen van Nazaret hem; ze hadden hem ontmoet en met hem gesproken bij de bron niet ver van zijn huis, die voor het gehele stadje een van de punten was waar men elkaar trof en een praatje maakte. Dit jaar leerde Jezus de koe van het gezin te melken en voor de andere dieren te zorgen. Gedurende dit jaar en het volgende leerde Jezus ook kaas te maken en te weven. Toen hij tien jaar was, kon hij het weefgetouw deskundig bedienen. Omstreeks deze tijd werden Jezus en zijn buurjongen Jakob grote vrienden van de pottenbakker die bij de stromende bron werkte; en als ze toekeken hoe de vaardige vingers van Natan vorm gaven aan de klei op het pottenbakkerswiel, namen beiden zich vele malen voor om pottenbakker te worden als ze groot waren. Natan was erg op de jongens gesteld en gaf hun dikwijls klei om mee te spelen, en hij trachtte hun creatieve verbeelding te stimuleren door hen wedstrijden te laten doen in het modelleren van verschillende voorwerpen en dieren.

6. Zijn achtste jaar (A.D. 2)

123:6.1

Dit was een interessant jaar op school. Jezus was geen buitengewone leerling, maar hij was wel ijverig en behoorde tot dat derde gedeelte van de klas dat de beste vorderingen maakte; hij deed zijn werk zo goed, dat hij iedere maand een week lang de lessen niet hoefde te volgen. Deze vrije week bracht hij gewoonlijk door aan de oever van het meer van Galilea bij zijn oom, die visser was en dicht bij Magdala woonde, of op de boerderij van een andere oom (de broer van zijn moeder) acht kilometer ten zuiden van Nazaret.

123:6.2

Ofschoon zijn moeder onnodig bezorgd was geworden over zijn gezondheid en veiligheid, raakte zij langzamerhand verzoend met deze uitstapjes weg van huis. Jezus’ ooms en tantes waren allen erg op hem gesteld, en er ontstond gedurende dit jaar en de eerstvolgende jaren een levendige wedijver onder hen om hem voor deze maandelijkse bezoeken bij zich te krijgen. Zijn eerste week (sedert zijn kleuterjaren) op de boerderij van zijn oom vond in januari van dit jaar plaats; de eerste week dat hij ging vissen op het meer van Galilea viel in de maand mei.

123:6.3

Omstreeks deze tijd ontmoette Jezus een wiskundeleraar uit Damascus en nadat hij een paar nieuwe methoden had geleerd om met getallen te werken, besteedde hij enige jaren lang veel tijd aan wiskunde. Hij ontwikkelde een levendig gevoel voor getallen, afstanden en verhoudingen.

123:6.4

Jezus begon veel aardigheid te krijgen in de omgang met zijn broertje Jakobus en tegen het eind van dit jaar begon hij hem het alfabet te leren.

123:6.5

Dit jaar regelde Jezus dat hij in ruil voor zuivelproducten harplessen kreeg. Hij hield bijzonder veel van alles wat met muziek te maken had. Later deed hij zijn best om onder zijn vriendjes belangstelling te wekken voor vocale muziek. Tegen de tijd dat hij elf jaar was, had hij zich ontwikkeld tot een kundig harpspeler en hij genoot ervan zijn familie en vrienden te onthalen op zijn buitengewone vertolkingen en knappe improvisaties.

123:6.6

Hoewel Jezus benijdenswaardige vorderingen bleef maken op school, verliep alles niet zo glad voor zijn ouders en leraren. Hij bleef maar lastige vragen stellen over zowel de natuurwetenschap als de religie, in het bijzonder over geografie en astronomie. Hij stond er vooral op uit te vinden waarom er in Palestina een droog seizoen en een regenseizoen bestond. Herhaaldelijk zocht hij naar de verklaring voor het grote temperatuurverschil tussen Nazaret en het Jordaandal. Hij ging eenvoudig steeds door met het stellen van zulke intelligente maar verwarrende vragen.

123:6.7

Zijn derde broertje, Simon, werd op vrijdagavond, 14 april van dit jaar a.d. 2, geboren.

123:6.8

In februari kwam Nahor, een van de leraren aan een academie van de rabbi’s in Jeruzalem, naar Nazaret om Jezus te observeren, nadat hij een soortgelijke opdracht had uitgevoerd ten huize van Zacharias, dichtbij Jeruzalem. Hij kwam naar Nazaret omdat Johannes’ vader hem dit had voorgesteld. In het begin was hij een beetje geschokt door de vrijmoedigheid van Jezus en de onconventionele wijze waarop deze met religieuze zaken omging, doch schreef dit toe aan het feit dat Galilea ver van de centra der Hebreeuwse wetenschap en cultuur gelegen was, en hij adviseerde Jozef en Maria hem toe te staan Jezus met zich mee te nemen naar Jeruzalem, waar hij het voordeel zou hebben te worden opgevoed en opgeleid in het centrum van de Joodse cultuur. Maria was er al half voor gewonnnen om haar toestemming te geven: zij was ervan overtuigd dat haar oudste zoon de Messias, de Joodse bevrijder zou worden. Jozef aarzelde echter; hij was er evenzeer van overtuigd dat Jezus zou opgroeien tot een man met een bijzondere bestemming, maar wat die bestemming zou blijken te zijn, daarover bezat hij in het geheel geen zekerheid. Doch hij twijfelde er nooit echt aan dat zijn zoon een grote zending op aarde zou gaan volbrengen. Hoe meer hij nadacht over het advies van Nahor, hoe meer hij betwijfelde of het voorgestelde verblijf in Jeruzalem verstandig zou zijn.

123:6.9

Vanwege dit verschil in inzicht tussen Jozef en Maria vroeg Nahor toestemming de gehele kwestie aan Jezus voor te leggen. Jezus luisterde aandachtig, praatte met Jozef, Maria, en een buurman, Jakob de metselaar, wiens zoon zijn beste kameraad was, en kwam toen twee dagen later met de mededeling dat aangezien er zulk een verschil van inzicht bestond tussen zijn ouders en adviseurs en hij zichzelf niet bevoegd achtte om de verantwoordelijkheid voor deze beslissing op zich te nemen, daar hij geen sterke voorkeur had, noch voor de ene, noch voor de andere kant, hij ten slotte had besloten om, gezien de gehele situatie, ‘met mijn Vader die in de hemel is te spreken;’ en hoewel hij geen volstrekte zekerheid gekregen had over het antwoord, voelde hij er het meest voor thuis te blijven ‘bij mijn vader en moeder,’ er nog aan toevoegende dat ‘zij die zoveel van mij houden meer voor mij zullen kunnen doen en mij veiliger zullen kunnen leiden dan vreemden, die alleen maar mijn lichaam kunnen zien en mijn denken kunnen observeren, maar mij nauwelijks werkelijk kunnen kennen.’ Zij verwonderden zich allen, en Nahor ging weer terug naar Jeruzalem. Het zou verscheidene jaren duren voordat het onderwerp van Jezus’ van huis gaan opnieuw aan de orde kwam.


◄ Verhandeling 122
Bovenkant
Verhandeling 124 ►
Het Urantia Boek

Nederlandse vertaling © Stichting Urantia. Alle rechten voorbehouden.