◄ 89:1
Verhandeling 89
89:3 ►

Zonde, offer en verzoening

2. Het begrip zonde

89:2.1

De vrees voor het toeval en de angst voor tegenspoed dreven de mens letterlijk tot het de primitieve religie, die hij bedacht als een vermeende verzekering tegen deze calamiteiten. Vanuit de magie en het geloof in schimmen evolueerde de religie via geesten en fetisjen naar taboes. Iedere primitieve stam had zijn boom met verboden vruchten, letterlijk de appel, maar figuurlijk bestaande uit duizend takken, zwaar beladen met allerlei soorten taboes. En de verboden boom zei altijd: ‘Gij zult niet.’

89:2.2

Toen het bewustzijn van de primitieve mens evolueerde tot het punt waarop het zich zowel goede als kwade geesten voorstelde, en toen het taboe de plechtige sanctie van de evoluerende religie verwierf, was het toneel in gereedheid voor de opkomst van het nieuwe begrip zonde. Voordat de geopenbaarde religie nog haar intrede had gedaan, had het begrip zonde zich reeds algemeen in de wereld gevestigd. Alleen door het begrip zonde kon de natuurlijke dood logisch worden voor het primitieve verstand. Zonde was de overschrijding van het taboe, en de dood was de straf voor de zonde.

89:2.3

Zonde was ritueel, niet rationeel; een handeling, niet een gedachte. En dit denkbeeld van zonde werd in zijn geheel gevoed door de overleveringen over Dilmun en de tijd van een klein paradijs op aarde, die nog steeds voortleefden. De overlevering over Adam en de Hof van Eden schonk eveneens gewicht aan de droom van een ‘gouden eeuw’ waarin de rassen der mensen ooit waren onstaan. Dit alles bevestigde de ideeën die later tot uitdrukking kwamen in het geloof dat de mens zijn oorsprong had in een speciale schepping, dat hij zijn levensloop in volmaaktheid was begonnen en dat hij door overtreding van de taboes—de zonde—ten val was gekomen en zijn latere treurige conditie over zich heen had gehaald.

89:2.4

Het regelmatig schenden van een taboe werd een ondeugd; de primitieve wetten maakten van deze ondeugd een misdaad en de religie maakte haar tot zonde. Bij de vroegste stammen was de overtreding van een taboe een combinatie van misdaad en zonde. Het onheil dat een hele gemeenschap trof, werd altijd als een straf voor de zonde van de stam beschouwd. Bij hen die geloofden dat voorspoed en rechtvaardigheid hand in hand gingen, veroorzaakte de kennelijke welvaart van de boosaardigen zoveel verontrustheid, dat het noodzakelijk werd hellen voor de bestraffing van de overtreders van taboes te bedenken; het aantal van deze plaatsen voor toekomstige bestraffing varieerde van een tot vijf.

89:2.5

Het idee van biecht en vergiffenis verscheen al vroeg in de primitieve religie. De mensen plachten tijdens een openbare bijeenkomst vergiffenis te vragen voor zonden die zij van plan waren de volgende week te begaan. Het bekennen van zonden was louter een rite van kwijtschelding, en ook een openbare kennisgeving van verontreiniging, een ritueel waarbij ‘onrein, onrein!’ geroepen werd. Daarop volgden alle ritualistische methoden van purificatie. Alle oude volken hebben deze zinloze ceremoniën toegepast. Vele ogenschijnlijk hygiënische gewoonten van vroege stammen waren grotendeels ceremonieel van aard.


◄ 89:1
 
89:3 ►