◄ 79:5
Verhandeling 79
79:7 ►

De expansie der Andieten in het Oosten

6. De dageraad der Chinese beschaving

79:6.1

Enige tijd nadat zij de rode mens naar de overkant, naar Noord-Amerika, hadden verdreven, verwijderden de zich uitbreidende Chinezen de Andonieten uit de riviervalleien in oostelijk Azië en drongen zij hen in noordelijke richting naar Siberië en in westelijke richting naar Turkestan, waar zij spoedig in aanraking kwamen met de superieure cultuur der Andieten.

79:6.2

In Birma en het schiereiland van Indo-China vermengden zich de culturen van India en China en gingen zij in elkaar over, en hieruit ontstonden de opeenvolgende civilisaties van die streken. Hier heeft het verdwenen groene ras aanzienlijk langer standgehouden dan waar ook ter wereld.

79:6.3

Vele verschillende rassen namen de eilanden van de Grote Oceaan in bezit. In het algemeen werden de zuidelijke, destijds grotere eilanden bewoond door volken die een hoog percentage bloed van het groene en indigo ras in zich hadden. De noordelijke eilanden werden bewoond door Andonieten en later door volken die veel van het gele en rode ras in zich hadden. De voorouders van het Japanse volk werden pas in 12.000 v. Chr. van het vasteland verdreven, toen zij, onder sterke druk van noordelijke Chinese stammen, langs de kust uit het zuiden werden verjaagd. Hun laatste uittocht werd niet zozeer veroorzaakt door bevolkingsdruk als wel door het initiatief van een hoofdman die zij als een goddelijk personage waren gaan beschouwen.

79:6.4

Evenals de volken in India en de Levant, vestigden de zegevierende stammen van de gele mens hun eerste nederzettingen langs de kust en stroomopwaarts langs de rivieren. De nederzettingen aan de kust verging het slecht toen in latere jaren overstromingen en de veranderende loop van de rivieren de steden in het laagland onbewoonbaar maakten.

79:6.5

Twintigduizend jaar geleden hadden de voorzaten van de Chinezen een dozijn sterke centra van primitieve cultuur en kennis opgebouwd, vooral langs de Gele Rivier en de Jangtse. Tegen deze tijd begonnen deze centra sterker te worden door de aankomst van een gestage stroom superieure, gemengde volken uit Singkian en Tibet. De migratie uit Tibet naar de vallei van de Jangtse was niet zo uitgebreid als die in het noorden, en de Tibetaanse centra waren ook niet zo ontwikkeld als die in het Tarim-bekken. Doch beide ontwikkelingen brachten een zekere hoeveelheid Anditisch bloed naar het oosten, naar de nederzettingen langs de rivieren.

79:6.6

De superioriteit van het oude gele ras werd veroorzaakt door vier belangrijke factoren:

79:6.7

1. Genetische. Anders dan hun blauwe verwanten in Europa, waren zowel het rode als het gele ras grotendeels ontkomen aan vermenging met lagere mensengeslachten. De noordelijke Chinezen, die reeds versterkt waren door kleine hoeveelheden superieur rood en Andonisch erfelijk materiaal, zouden spoedig profiteren van een belangrijke toevloed van Anditisch bloed. De zuidelijke Chinezen verging het wat dit betreft niet zo goed, en zij hadden lang geleden door absorptie van het groene ras, terwijl zij later verder zouden worden verzwakt door de infiltratie van zwermen inferieure volken die door de Dravidisch-Anditische invasie uit India werden verdreven. Ook heden ten dage is er in China een duidelijk verschil tussen de noordelijke en zuidelijke volken.

79:6.8

2. Sociale. Het gele ras leerde al vroeg de waarde van onderlinge vrede kennen. Hun interne vreedzaamheid droeg zo bij tot de bevolkingsgroei, dat de verbreiding van hun civilisatie onder vele miljoenen mensen werd verzekerd. Van 25.000 tot 5000 v. Chr. was de hoogste massale civilisatie op Urantia in het centrum en het noorden van China te vinden. De gele mens was de eerste die raciale solidariteit tot stand bracht—de eerste mens die op grote schaal een culturele, sociale en politieke beschaving bereikte.

79:6.9

De Chinezen van 15.000 v. Chr. waren agressieve militaristen; zij waren nog niet verzwakt door overmatige eerbied voor het verleden, en aangezien hun aantal minder dan twaalf miljoen bedroeg, vormden zij een compact geheel met een gemeenschappelijke taal. In die tijd bouwden zij een werkelijke natie op, die veel eendrachtiger en homogener was dan hun politieke unies in de historische tijd.

79:6.10

3. Geestelijke. In het tijdperk van de volksverhuizingen der Andieten behoorden de Chinezen tot de meer geestelijk ingestelde volken op aarde. Doordat zij de verering van de Ene Waarheid die verkondigd was door Singlangton, lang trouw bleven, waren zij de meeste andere volken ver vooruit. De prikkel van een vooruitstrevende, geavanceerde religie is vaak een beslissende factor in de ontwikkeling van een cultuur; terwijl India wegkwijnde, maakte China gestage vooruitgang door de inspirerende stimulans van een religie waarin waarheid werd vereerd als de allerhoogste Godheid.

79:6.11

Deze verering van waarheid prikkelde tot onderzoek het en onbevreesde onderzoek van de natuurwetten en de mogelijkheden van de mensheid. De Chinezen van ook zesduizend jaar geleden waren nog steeds scherpzinnige navorsers en stoutmoedig in hun zoeken naar waarheid.

79:6.12

4. Geografische. China wordt in het westen beschermd door de bergen en in het oosten door de Grote Oceaan. Alleen vanuit het noorden kan het land aangevallen worden, en van de dagen van de rode mens tot de komst van de latere afstammelingen der Andieten werd het noorden nooit bewoond door een agressief ras.

79:6.13

Indien de barrière der bergen niet had bestaan en het latere verval van hun geestelijke cultuur niet had plaatsgevonden, dan zou het gele ras ongetwijfeld het grootste deel van de Anditische migraties vanuit Turkestan hebben aangetrokken en zeker spoedig een overheersende invloed hebben gehad op de civilisatie der wereld.


◄ 79:5
 
79:7 ►