◄ 141:4
Verhandeling 141
141:6 ►

Het werk in het openbaar wordt aangevangen

5. Geestelijke eenheid

141:5.1

Een van de gedenkwaardigste van alle avondbijeenkomsten in Amatus was de sessie waarin gesproken werd over geestelijke eenheid. Jakobus Zebedeüs had gevraagd: ‘Meester, hoe moeten wij leren om de dingen op gelijke wijze te zien en daardoor meer harmonie onder elkaar te hebben?’ Toen Jezus deze vraag hoorde, kwam zijn geest in beroering, zozeer dat hij antwoordde: ‘Jakobus, Jakobus, wanneer heb ik jullie geleerd dat jullie de dingen op gelijke wijze moeten zien? Ik ben in de wereld gekomen om geestelijke vrijheid te verkondigen, opdat stervelingen de kracht mogen krijgen om individuele levens van oorspronkelijkheid en vrijheid voor Gods aangezicht te leiden. Ik verlang niet dat sociale harmonie en broederlijke vrede gekocht worden ten koste van de opoffering van de vrije persoonlijkheid en geestelijke originaliteit. Wat ik van jullie, mijn apostelen, vraag is eenheid in de geest—en die kunnen jullie ervaren in de vreugde van jullie gezamenlijke toewijding aan het van ganser harte doen van de wil van mijn Vader in de hemel. Het is niet nodig om gelijk van inzicht te zijn, of gelijk te voelen of zelfs gelijk te denken, om geestelijk gelijk te zijn. Geestelijke eenheid ontstaat, wanneer jullie je bewust bent dat ieder van jullie inwoning geniet van, en steeds meer wordt beheerst door, het geest-geschenk van de hemelse Vader. Jullie apostolische harmonie moet voortspruiten uit het feit dat de geest-hoop van elk van jullie identiek is in oorsprong, natuur, en bestemming.

141:5.2

‘Op deze manier kunnen jullie een vervolmaakte eenheid van geest-vastberadenheid en geest-begrijpen ervaren, die voortkomt uit jullie onderlinge bewustheid van de identiteit van de geesten uit het Paradijs die bij jullie inwonen; en jullie kunt al deze diepe geestelijke eenheid voelen, zelfs ondanks de uiterste diversiteit van je individuele wijze van denken, van het gevoel dat met je temperament in verband staat, en je sociale gedrag. Jullie persoonlijkheden kunnen op verfrissende wijze diversiteit vertonen en opvallend van elkaar verschillen, terwijl jullie geestelijke natuur en jullie geest-vruchten van godsverering en broederlijke liefde zo verenigd kunnen zijn, dat allen die jullie levens aanschouwen, zeker deze geest-identiteit en zielseenheid zullen opmerken: zij zullen onderkennen dat jullie met mij samen bent geweest en daardoor hebt geleerd, en zeer aanvaardbaar hebt geleerd, om de wil van de Vader in de hemel te doen. Jullie kunt de eenheid van het dienen van God bereiken zelfs terwijl je deze dienst verricht in overeenstemming met de methode die overeenkomt met jullie eigen oorspronkelijke gaven van verstand, lichaam, en ziel.

141:5.3

‘Jullie geest-eenheid houdt twee dingen in, waarvan altijd geconstateerd zal worden dat ze in de levens van individuele gelovigen harmoniëren: ten eerste, hebben jullie allen een gemeenschappelijk motief om levenslang te dienen: jullie wenst allen boven alles de wil van de Vader in de hemel te doen. Ten tweede hebben jullie allen een gemeenschappelijk bestaansdoel: je stelt je allen ten doel de Vader in de hemel te vinden en daardoor aan het universum te bewijzen dat je geworden bent zoals hij.’

141:5.4

Gedurende de opleiding van de twaalf kwam Jezus vele malen op dit thema terug. Herhaaldelijk zei hij hun dat het niet zijn wens was dat degenen die in hem geloofden verdogmatiseerd en gestandaardiseerd zouden raken overeenkomstig de religieuze interpretaties van zelfs goede mensen. Telkens opnieuw waarschuwde hij zijn apostelen voor de formulering van geloofsbelijdenissen en het instellen van tradities als een middel om leiding te geven aan, en macht uit te oefenen over, hen die in het evangelie van het koninkrijk geloofden.


◄ 141:4
 
141:6 ►