◄ 135:7
Verhandeling 135
135:9 ►

Johannes de Doper

8. De ontmoeting tussen Jezus en Johannes

135:8.1

Tegen december van het jaar 25 n.Chr., toen Johannes op zijn reis langs de Jordaan in de buurt van Pella was aangekomen, had zijn faam zich door geheel Palestina verbreid en was zijn werk het voornaamste onderwerp van gesprek geworden in alle steden rond het meer van Galilea. Jezus had zich in gunstige zin uitgelaten over de boodschap van Johannes en dit had velen uit Kafarnaüm ertoe gebracht zich aan te sluiten bij de sekte van Johannes, die berouw en doop voorstond. Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die vissers waren, waren in december naar Johannes gegaan, kort nadat deze zijn standplaats als prediker nabij Pella had ingenomen, en waren naar voren gekomen om gedoopt te worden. Eens per week gingen zij Johannes opzoeken en brachten Jezus uit de eerste hand het laatste nieuws over het werk van de evangelist.

135:8.2

Jakobus en Judas, de broers van Jezus, hadden erover gesproken om ook naar Johannes te gaan om zich te laten dopen en nu Judas was overgekomen naar Kafarnaüm om de Sabbatvieringen bij te wonen, besloten hij en Jakobus samen, toen ze de toespraak van Jezus in de synagoge beluisterd hadden, hem raad te vragen met betrekking tot hun plannen. Dit vond plaats op zaterdagavond, 12 januari a.d. 26. Jezus verzocht hun de bespreking tot de volgende dag uit te stellen, wanneer hij hun zijn antwoord zou geven. Hij sliep die nacht heel weinig, en was in intiem gesprek met de Vader in de hemel. Hij had het zo geregeld dat hij het middagmaal samen met zijn broers zou gebruiken en hun dan zou raden met betrekking tot het zich laten dopen door Johannes. Die zondagmorgen was Jezus, zoals gewoonlijk, aan het werk op de werf. Jakobus en Judas waren aangekomen met hun middagmaal en wachtten op hem in de houtopslagplaats, want het was nog niet tijd voor de middagpauze en zij wisten dat Jezus zich in zulke zaken stipt aan de regels hield.

135:8.3

Vlak voor de middagpauze legde Jezus zijn gereedschap neer, deed zijn voorschoot af, en meldde de drie werklieden die bij hem in het vertrek waren alleen: ‘Mijn uur is aangebroken.’ Hij ging naar buiten, naar zijn broers Jakobus en Judas en herhaalde: ‘Mijn uur is aangebroken—laten wij naar Johannes gaan.’ Zij gingen meteen op weg naar Pella en aten hun middagmaal onderweg. Dit gebeurde op zondag, 13 januari. Zij brachten de nacht door in het Jordaandal en kwamen omstreeks het middaguur van de volgende dag op de plaats aan waar Johannes doopte.

135:8.4

Johannes was juist begonnen de kandidaten van die dag te dopen. Tientallen boetvaardigen stonden hun beurt af te wachten, toen Jezus en zijn twee broers zich aansloten bij deze rij van ernstige mannen en vrouwen die waren gaan geloven in de prediking van Johannes over het komende koninkrijk. Johannes had naar Jezus gevraagd bij de zonen van Zebedeüs. Hij had gehoord wat Jezus gezegd had over zijn prediking en hij had iedere dag verwacht dat Jezus zou komen opdagen, maar niet dat hij hem zou begroeten in de rij van kandidaten die gedoopt wilden worden.

135:8.5

Daar Johannes zeer in beslag werd genomen door de details van het snel dopen van zo’n groot aantal bekeerlingen, zag hij Jezus pas toen de Zoon des Mensen reeds vlak voor hem stond. Johannes herkende Jezus en onderbrak de ceremoniën een ogenblik terwijl hij zijn bloedverwant begroette en vroeg: ‘Maar waarom daal je in het water af om mij te begroeten?’ En Jezus antwoordde: ‘Om jouw doop te ondergaan.’ Johannes antwoordde: ‘Maar ik heb van node dat jij mij doopt. Waarom kom je tot mij?’ Jezus fluisterde Johannes toe: ‘Laat mij nu geworden, want het betaamt ons dit voorbeeld te geven aan mijn broers die hier bij mij staan, en ook opdat het volk moge weten dat mijn uur is aangebroken.’

135:8.6

Er klonk een toon van beslistheid en gezag in Jezus’ stem. Johannes trilde van emotie toen hij zich gereedmaakte om Jezus van Nazaret op maandag, 14 januari, a.d. 26, in de Jordaan te dopen. Aldus werden Jezus en zijn beide broers, Jakobus en Judas, door Johannes gedoopt. Toen Johannes deze drie had gedoopt, zond hij de anderen heen voor die dag en kondigde aan dat hij de volgende dag op het middaguur het dopen zou hervatten. Terwijl de mensen heengingen, hoorden de vier mannen die nog steeds in het water stonden een vreemd geluid, en direct daarop werd er vlak boven het hoofd van Jezus gedurende een ogenblik een verschijning zichtbaar, en zij hoorden een stem die sprak: ‘Dit is mijn geliefde Zoon in wie Ik mijn welbehagen heb.’ Een grote verandering voltrok zich in het gelaat van Jezus, en terwijl hij zwijgend uit het water kwam, nam hij afscheid van hen en ging op weg naar de heuvels in het oosten. En niemand zag Jezus terug voordat er veertig dagen verstreken waren.

135:8.7

Johannes vergezelde Jezus een eindweegs, voldoende om hem het verhaal te vertellen van Gabriëls bezoek aan zijn moeder nog vóór een van hen beiden geboren was, zoals hij het zo dikwijls uit de mond van zijn eigen moeder had gehoord. Hij liet Jezus zijn weg vervolgen nadat hij gezegd had: ‘Nu weet ik zeker dat jij de Verlosser bent.’ Maar Jezus antwoordde niet.


◄ 135:7
 
135:9 ►