◄ Verhandeling 137
Deel 4 ▲
Verhandeling 139 ►
Verhandeling 138

De opleiding der boodschappers van het Koninkrijk

NA de prediking over ‘Het Koninkrijk’ riep Jezus die middag de zes apostelen bijeen en begon hun zijn plannen uiteen te zetten om de steden rondom en aan het Meer van Galilea te bezoeken. Zijn broers Jakobus en Judas voelden zich zeer gekwetst omdat zij niet voor deze samenkomst waren uitgenodigd. Tot aan dat ogenblik hadden zij zichzelf tot de kring van Jezus’ naaste medewerkers gerekend. Maar Jezus was van plan geen naaste bloedverwanten deel te laten uitmaken van dit korps van apostolische leiders van het koninkrijk. Dit besluit om Jakobus en Judas niet tot de kleine kring uitverkorenen te laten behoren was, samen met zijn kennelijk gereserveerde houding tegenover zijn moeder na zijn ervaring in Kana, het begin van een steeds wijder wordende kloof tussen Jezus en zijn familie. Deze toestand duurde tijdens zijn gehele openbare optreden voort—zij kwamen er na aan toe hem te verwerpen—en deze geschillen werden pas na zijn dood en wederopstanding geheel uit de weg geruimd. Zijn moeder had voortdurend te kampen met opkomende en weer afnemende gevoelens van geloof en hoop, en steeds sterkere emoties van teleurstelling, vernedering, en wanhoop. Alleen de jongste, Ruth, bleef onwankelbaar trouw aan haar vader-broer.

138:0.2

Tot na de opstanding, had Jezus’ gehele familie zeer weinig te maken met zijn optreden. Een profeet wordt alom geëerd behalve in zijn eigen land, en ondervindt ook geen onbegrip en miskenning behalve in zijn eigen familie.

1. De laatste instructies

138:1.1

De volgende dag, zondag 23 juni, a.d. 26, gaf Jezus zijn laatste instructies aan de zes. Hij droeg hun op er twee aan twee op uit te gaan om de blijde boodschap van het koninkrijk te onderrichten. Hij verbood hun te dopen en ontraadde hun in het openbaar te prediken. Hij legde hun verder uit dat hij hen later wel zou toestaan in het openbaar te prediken, maar dat hij om vele redenen wenste dat zij een tijdlang praktische ervaring zouden opdoen met de persoonlijke omgang met hun medemensen. Jezus had de bedoeling dat zij zich op hun eerste rondreis enkel en alleen met persoonlijk werk zouden bezig houden. Hoewel deze aankondiging enigszins teleurstellend was voor de apostelen, zagen zij, althans ten dele, toch wel in waarom Jezus de verkondiging van het koninkrijk op deze wijze wilde laten aanvangen, en zij gingen opgewekt op weg, vol vertrouwen en enthousiasme. Hij zond hen twee aan twee uit, Jakobus en Johannes naar Keresa, Andreas en Petrus naar Kafarnaüm, terwijl Filippus en Natanael naar Tarichea gingen.

138:1.2

Voordat zij aan deze twee weken van dienstbetoon begonnen, kondigde Jezus hun aan dat hij twaalf apostelen wilde aanstellen om na zijn vertrek het werk voor het koninkrijk voort te zetten, en hij machtigde elk van hen één man uit de kring van zijn eerste bekeerlingen te kiezen om lid te worden van het korps van apostelen zoals Jezus zich dat voorgesteld had. Johannes vroeg daarop vrijuit: ‘Maar Meester, zullen die zes mannen dan temidden van ons komen en gelijkelijk alles met ons delen, terwijl wij al vanaf de Jordaan bij u geweest zijn en al het onderricht hebben gehoord dat u ons gegeven hebt om ons voor te bereiden hierop, op de eerste keer dat wij voor het koninkrijk gaan arbeiden?’ En Jezus antwoordde: ‘Ja, Johannes, de mannen die jullie zullen uitkiezen, zullen één met ons worden, en jullie zullen hun onderricht geven in alles wat het koninkrijk betreft, net zoals ik jullie onderwezen heb.’ Na dit gezegd te hebben, verliet Jezus hen.

138:1.3

De zes gingen pas uiteen om aan het werk te gaan, toen zij eerst uitvoerig hadden gesproken over de opdracht van Jezus om elk een nieuwe apostel uit te kiezen. Ten slotte gaf de raad van Andreas de doorslag en gingen zij op weg om aan hun werk te beginnen. Kort samengevat zei Andreas het volgende: ‘De Meester heeft gelijk; wij zijn met te weinigen om dit werk geheel aan te kunnen. Er zijn meer leraren nodig en de Meester heeft veel vertrouwen in ons getoond, nu hij het uitkiezen van deze zes nieuwe apostelen aan ons heeft opgedragen.’ Toen zij die morgen uiteengingen om aan het werk te gaan, verborg ieder van hen een licht gevoel van terneergeslagenheid. Zij wisten dat zij Jezus zouden missen, en nog afgezien van hun vrees en beschroomdheid, was dit niet de manier waarop zij zich de inluiding van het koninkrijk der hemels hadden voorgesteld.

138:1.4

Het was zo geregeld, dat de zes twee weken zouden werken, waarna ze naar het huis van Zebedeüs zouden terugkeren voor een bespreking. Intussen ging Jezus naar Nazaret om Jozef en Simon op te zoeken, alsmede andere leden van zijn familie die daar in de buurt woonden. Jezus deed alles wat menselijkerwijs mogelijk was en verenigbaar met zijn toewijding aan het doen van de wil van zijn Vader, om het vertrouwen en de genegenheid van zijn familie te behouden. In dit opzicht vervulde hij ten volle zijn plicht, en meer dan dat.

138:1.5

Terwijl de apostelen in de omgeving met hun missie bezig waren, dacht Jezus veel aan Johannes die nu in de gevangenis zat. De verleiding was groot om zijn potentiële krachten te gebruiken om hem te bevrijden, maar wederom legde hij zich erbij neer ‘zich te voegen naar de wil van de Vader’.

2. Het uitkiezen van de zes

138:2.1

De eerste zendingstocht van de zes was een groot succes. Zij ontdekten allen de grote waarde van het rechtstreekse, persoonlijke contact met de mensen. Toen zij bij Jezus terugkwamen, hadden zij een helderder besef dat religie per slot van rekening zuiver en alleen een zaak van persoonlijke ervaring is. Zij begonnen te voelen hoe begerig de gewone mensen waren om woorden van religieuze vertroosting en geestelijke bemoediging te horen. Toen zij bij Jezus samenkwamen, wilden ze allen meteen beginnen te praten, maar Andreas nam de leiding en gaf ieder zijn beurt, om formeel verslag uit te brengen aan de Meester en de zes nieuwe apostelen die zij wilden benoemen, voor te dragen.

138:2.2

Toen ieder had aangegeven wie hij als nieuwe apostel had uitgekozen, vroeg Jezus alle anderen over deze voordracht te stemmen: op deze wijze werden de nieuwe apostelen alle zes formeel door alle zes oudere apostelen aanvaard. Hierop kondigde Jezus aan dat zij met elkaar deze kandidaten zouden gaan bezoeken om hen op te roepen in dienst te treden.

138:2.3

De nieuw gekozen apostelen waren:

138:2.4

1. Matteüs Levi, de tolgaarder van Kafarnaüm, die zijn kantoor juist ten oosten van de stad had, bij de grens van Batanea. Hij was door Andreas uitgekozen.

138:2.5

2. Tomas Didymus, een visser te Tarichea en eerder timmerman en metselaar te Gadara. Deze was door Filippus uitgekozen.

138:2.6

3. Jakobus Alfeüs, een visser en boer te Keresa, was uitgekozen door Jakobus Zebedeüs.

138:2.7

4. Judas Alfeüs, de tweelingbroer van Jakobus Alfeüs, ook visser, was uitgekozen door Johannes Zebedeüs.

138:2.8

5. Simon Zelotes was een hoge officier in de patriottische organisatie van de Zeloten, een positie die hij opgaf om zich bij de apostelen van Jezus te voegen. Voordat hij zich had aangesloten bij de Zeloten, was Simon koopman geweest. Hij was uitgekozen door Petrus.

138:2.9

6. Judas Iskariot was de enige zoon van welgestelde Joodse ouders die in Jericho woonden. Hij had zich aangesloten bij Johannes de Doper, en zijn Sadduceese ouders hadden hem verstoten. Toen de apostelen van Jezus hem tegenkwamen, was hij bezig werk te zoeken in deze streek, en voornamelijk omdat hij ervaring had met geldzaken, had Natanael hem uitgenodigd zich bij hen aan te sluiten. Judas Iskariot was de enige van de twaalf apostelen die uit Judea afkomstig was.

138:2.10

Jezus bracht een hele dag door met de zes, beantwoordde hun vragen en luisterde naar de bijzonderheden van hun verslagen, want zij hadden vele belangwekkende en nuttige ervaringen te vertellen. Zij zagen nu de wijsheid in van het plan van de Meester om hen uit te zenden om op een rustige, persoonlijke manier te werken, voordat zij van start gingen met hun meer opvallende arbeid in het openbaar.

3. De roeping van Matteüs en Simon

138:3.1

De volgende dag gingen Jezus en de zes apostelen Matteüs, de tolgaarder, bezoeken. Matteüs verwachtte hen, hij had zijn boeken afgesloten en alles gereedgemaakt om de zaken van zijn kantoor over te dragen aan zijn broer. Toen zij bij het tolhuis kwamen, trad Andreas samen met Jezus naar voren; Jezus zag Matteüs aan en zei: ‘Volg mij.’ En hij stond op en ging met Jezus en de apostelen naar zijn huis.

138:3.2

Matteüs vertelde Jezus dat hij voor die avond een feestmaaltijd had aangericht, althans dat hij zo’n maaltijd voor zijn familie en vrienden wilde geven als Jezus dit goedvond en erin wilde toestemmen de eregast te zijn. Jezus knikte ten teken van instemming. Toen nam Petrus Matteüs terzijde en legde hem uit dat hij een zekere Simon had uitgenodigd zich bij de apostelen aan te sluiten en hij kreeg toestemming om Simon ook voor dit feest uit te nodigen.

138:3.3

Toen zij bij Matteüs thuis de middagmaaltijd hadden gebruikt, gingen ze allen met Petrus mee om Simon de Zeloot te bezoeken, die zij aantroffen in zijn oude kantoor, dat nu geleid werd door zijn neef. Toen Petrus Jezus bij Simon had gebracht, groette de Meester de vurige patriot en zei alleen: ‘Volg mij.’

138:3.4

Ze keerden allen terug naar het huis van Matteüs, waar ze uitvoerig over politiek en religie spraken totdat het uur voor de avondmaaltijd aanbrak. De familie van Levi was lang in zaken geweest en had zich bezig gehouden met belastinginning; daarom zouden de Farizeeën veel van de gasten die door Matteüs voor de feestmaaltijd waren uitgenodigd, ‘tollenaars en zondaars’ hebben genoemd.

138:3.5

In die dagen was het gewoonte dat wanneer een dergelijke receptie-feestmaaltijd voor een vooraanstaande persoon werd aangericht, alle belangstellenden zich in de eetzaal ophielden om de gasten gade te slaan bij hun maaltijd en te luisteren naar de gesprekken en de toespraken van de eregasten. Bijgevolg waren de meeste Farizeeën van Kafarnaüm bij deze gelegenheid aanwezig, zodat zij konden gadeslaan hoe Jezus zich zou gedragen tijdens deze ongewone gezelligheidsbijeenkomst.

138:3.6

Naarmate de maaltijd vorderde, steeg de vreugde van de disgenoten tot grote hoogten van vrolijkheid, en iedereen had het zo geweldig naar zijn zin, dat de toekijkende Farizeeën in hun hart Jezus begonnen te kritiseren omdat hij aan dergelijk luchthartig en zorgeloos gedoe deelnam. Later in de avond, toen er toespraken werden gehouden, ging een van de meer boosaardige Farizeeën zelfs zover, dat hij tegen Petrus aanmerkingen maakte op het gedrag van Jezus, met de woorden: ‘Hoe durft ge te leren dat deze man rechtschapen is als hij met tollenaren en zondaren eet en zich ertoe leent aanwezig te zijn bij zulke tonelen van zorgeloos plezier?’ Petrus bracht deze kritiek fluisterend over aan Jezus, voordat deze de afscheidszegen uitsprak over degenen die daar bijeen waren. Toen Jezus begon te spreken, zei hij: ‘Nu wij hier vanavond bijeengekomen zijn om Matteüs en Simon welkom te heten in ons gezelschap, verheugt het mij te zien dat ge opgewekt zijt en zo’n goede stemming hebt onder elkaar, maar eigenlijk zoudt ge u nog meer moeten verheugen omdat velen van u ingang zullen vinden tot het komende koninkrijk van de geest, waarin ge nog overvloediger zult genieten van de goede dingen van het koninkrijk des hemels. En tot u die hier in het rond staat en in uw hart kritiek op mij hebt, omdat ik hier gekomen ben om vrolijk te zijn met deze vrienden, zou ik willen zeggen dat ik gekomen ben om vreugde te verkondigen aan hen die sociale verschoppelingen zijn, en geestelijke vrijheid aan hen die moreel onvrij zijn. Is het nodig u eraan te herinneren dat gezonde mensen geen dokter nodig hebben, maar degenen die ziek zijn? Ik ben niet gekomen om de rechtvaardigen te roepen, maar zondaren.’

138:3.7

Dit nu was werkelijk een vreemde aanblik in het gehele Joodse land: een mens met een rechtvaardig karakter en nobele gevoelens, die zich vrijelijk en vol vreugde onder het gewone volk begaf, ja zelfs onder een groep ongodsdienstige, pretmakende tollenaren en vermeende zondaren. Simon Zelotes wilde graag een toespraak houden tijdens deze bijeenkomst ten huize van Matteüs, maar Andreas, die wist dat Jezus niet wilde dat het komende koninkrijk verward zou worden met de beweging van de Zeloten, overreedde hem af te zien van alle uitspraken in het openbaar.

138:3.8

Jezus en de apostelen bleven die nacht in het huis van Matteüs en toen de mensen naar huis gingen, hadden ze slechts één onderwerp van gesprek: de goedheid en vriendelijkheid van Jezus.

4. De roeping van de tweelingbroers

138:4.1

De volgende morgen staken ze allen per boot over naar Keresa om de volgende twee apostelen, Jakobus en Judas, de zonen van Alfeüs en tweelingbroers, die waren voorgesteld door Jakobus en Johannes Zebedeüs, formeel op te roepen. De tweelingbroers, die vissers waren, verwachtten Jezus en zijn apostelen en stonden daarom aan de oever op hen te wachten. Jakobus Zebedeüs stelde de Meester aan de vissers uit Keresa voor, en Jezus, hen aanziende, knikte en zei: ‘Volg mij.’

138:4.2

Op deze namiddag, die zij met elkaar doorbrachten, gaf Jezus hun volledige instructies betreffende het bijwonen van feestelijke bijeenkomsten en aan het einde daarvan zei hij: ‘Alle mensen zijn mijn broeders. Mijn Vader in de hemel ziet op geen enkel schepsel van ons maaksel in minachting neer. Het koninkrijk des hemels staat open voor alle mannen en vrouwen. Niemand mag de deur der barmhartigheid dichtslaan wanneer een hongerende ziel wil binnengaan. Wij zullen met allen aanzitten die over het koninkrijk verlangen te horen. Zoals de Vader in de hemel de mensen hier beneden ziet, zijn zij allen gelijk. Weiger daarom niet brood te breken met een Farizeeër of een zondaar, met een Sadduceeër of een tollenaar, met een Romein of een Jood, met een rijk man of een arm man, met een vrij man of een slaaf. De deur van het koninkrijk staat wijd open voor allen die verlangen de waarheid te leren kennen en God te vinden.’

138:4.3

Die avond, tijdens een eenvoudige maaltijd in het huis van Alfeüs, werden de tweelingbroers opgenomen in de apostolische familie. Later in de avond gaf Jezus zijn apostelen hun eerste les over de oorsprong, natuur, en bestemming van onreine geesten, maar ze konden het belang van wat hij hun meedeelde niet bevatten. Het viel hun zeer gemakkelijk om Jezus lief te hebben en te bewonderen, maar veel van zijn leringen vonden zij heel moeilijk te begrijpen.

138:4.4

Na genoten nachtrust stak het gehele gezelschap, nu elf man, per boot over naar Tarichea.

5. De roeping van Tomas en Judas

138:5.1

Tomas, de visser, en Judas, de zwerver, haalden Jezus en de apostelen af van de landingsplaats van de vissersboten te Tarichea, en Tomas bracht het gezelschap naar zijn huis daar in de buurt. Filippus stelde nu Tomas voor als zijn kandidaat voor het apostelschap, en Natanael wees Judas Iskariot, de man uit Judea, aan voor dezelfde eer. Jezus zag Tomas aan en zei: ‘Tomas, het ontbreekt je aan geloof; niettemin neem ik je aan. Volg mij.’ Tot Judas Iskariot sprak de Meester: ‘Judas, we zijn allen van één vlees, en nu ik je in ons midden ontvang, bid ik dat je altijd trouw zult zijn aan je Galilese broeders. Volg mij.’

138:5.2

Nadat ze zich hadden verfrist, zonderde Jezus zich een tijdje af met de twaalf om met hen te bidden en hen te onderrichten over de natuur en het werk van de Heilige Geest, maar weer slaagden zij er grotendeels niet in de betekenis te begrijpen van de wonderbaarlijke waarheden die hij hun trachtte bij te brengen. De een vatte dit onderdeel, en een ander dat, maar niemand kon het geheel van zijn onderricht bevatten. Steeds opnieuw maakten ze de vergissing dat zij het nieuwe evangelie van Jezus trachtten in te passen in hun oude geloofsvormen. Het drong niet tot hen door dat Jezus gekomen was om een nieuw evangelie van verlossing te verkondigen en een nieuwe weg te banen om God te vinden; ze zagen niet dat hij een nieuwe openbaring van de Vader in de hemel was.

138:5.3

De volgende dag liet Jezus zijn twaalf apostelen geheel aan henzelf over; hij wilde dat ze elkaar zouden leren kennen en wenste dat ze alleen zouden zijn om met elkaar te bespreken wat hij hun had geleerd. De Meester kwam weer terug voor de avondmaaltijd en in de uren daarna sprak hij met hen over het dienstbetoon van serafijnen, een onderricht dat sommigen van de apostelen wel begrepen. Ze rustten die nacht en vertrokken de volgende dag per boot naar Kafarnaüm.

138:5.4

Zebedeüs en Salome waren bij hun zoon David gaan inwonen, zodat hun grote huis aan Jezus en zijn twaalf apostelen ter beschikking gesteld kon worden. Hier bracht Jezus een rustige Sabbat door met zijn uitverkoren boodschappers; hij stippelde zorgvuldig de plannen uit voor het verkondigen van het koninkrijk en legde duidelijk uit hoe belangrijk het was om elke botsing met het wereldlijk gezag te vermijden, met de woorden: ‘Indien de wereldlijke bestuurders berispt moeten worden, laat die taak dan aan mij over. Zorg ervoor dat je Caesar of zijn dienaren niet in het openbaar veroordeelt.’ Deze zelfde avond nam Judas Iskariot Jezus terzijde om hem te vragen waarom er niets gedaan werd om Johannes uit de gevangenis te krijgen. En Judas was niet geheel tevreden met de instelling van Jezus.

6. Een week van intensieve training

138:6.1

De volgende week werd gewijd aan een programma van intensieve training. Elke dag werden de zes nieuwe apostelen toevertrouwd aan degenen die hen respectievelijk hadden voorgedragen, om grondig alles door te nemen wat zij hadden geleerd en ervaren bij hun voorbereiding op het werk voor het koninkrijk. De oudere apostelen gaven ten behoeve van de zes jongeren, een zorgvuldig overzicht van hetgeen Jezus hen tot zover had geleerd. ’s Avonds kwamen ze allen bijeen in de tuin van Zebedeüs om door Jezus onderricht te wor-den.

138:6.2

In deze week stelde Jezus de vrije dag midden in de week in voor rust en ontspanning. En zij hielden zich gedurende de gehele verdere duur van zijn materiële leven aan dit plan om zich één dag per week te ontspannen. Als algemene regel gold dat zij op woensdagen nooit met hun gewone werkzaamheden doorgingen. Op deze wekelijkse vrije dag liet Jezus hen gewoonlijk alleen en zei dan: ‘Kinderen, ga van jullie vrije dag genieten. Rust uit van het moeilijke werk voor het koninkrijk en geniet van de verkwikking die het geeft als je teruggaat naar je vroegere beroep, of als je nieuwe soorten ontspannende activiteiten ontdekt.’ Hoewel Jezus in deze periode van zijn leven op aarde deze rustdag niet werkelijk nodig had, hield hij zich ook aan dit plan, omdat hij wist dat dit voor zijn medewerkers het beste was. Jezus was de leraar—de Meester; zijn medewerkers waren zijn leerlingen—discipelen.

138:6.3

Jezus trachtte zijn apostelen het verschil duidelijk te maken tussen zijn onderricht en zijn leven temidden van hen, en de leer die later over hem zou kunnen ontstaan. Jezus zei tot hen: ‘Mijn koninkrijk en het evangelie dat daarop betrekking heeft, moet het hoofdthema van jullie boodschap vormen. Laat je niet op een zijspoor brengen door te prediken over mij en over mijn leer. Verkondigt het evangelie van het koninkrijk en spreekt over mijn openbaring van de Vader in de hemel, maar laat je niet verleiden de zijwegen in te slaan van het scheppen van legenden en het vormen van een cultus die te maken heeft met geloofsovertuigingen en onderricht over wat ik geloof en onderricht.’ Maar weer begrepen ze niet waarom hij aldus sprak, en niemand durfde te vragen waarom hij hun dit leerde.

138:6.4

In het onderricht van deze eerste tijd, trachtte Jezus zoveel mogelijk twistpunten met zijn apostelen te vermijden behalve wanneer deze verkeerde voorstellingen van zijn Vader in de hemel inhielden. In al zulke gevallen aarzelde hij nooit onjuiste overtuigingen recht te zetten. Het leven van Jezus op Urantia na zijn doop kende slechts één beweegreden, en dat was een betere en juistere openbaring van zijn Paradijs-Vader; hij was de pionier van de nieuwe, betere weg tot God, de weg van geloof en liefde. Steeds spoorde hij zijn apostelen aan met de woorden: ‘Ga de zondaren zoeken; zoek ontmoedigden en troost de bekommerden.’

138:6.5

Jezus beheerste de situatie volkomen; hij beschikte over een onbegrensde macht die hij bevorderlijk had kunnen doen zijn voor zijn missie, doch hij nam geheel genoegen met middelen en persoonlijkheden die de meeste mensen als ontoereikend en onbeduidend beschouwd zouden hebben. Hij had een missie op zich genomen die enorme dramatische mogelijkheden bood, maar hij stond erop om het werk voor zijn Vader op de rustigste, meest ondramatische wijze te doen; angstvallig vermeed hij alle machtsvertoon. En nu was hij van plan om ten minste enige maanden lang rustig met zijn twaalf apostelen in de omstreken van het Meer van Galilea te arbeiden.

7. Opnieuw teleurgesteld

138:7.1

Jezus had plannen gemaakt voor een rustige zendingscampagne van vijf maanden persoonlijk werk. Hij vertelde de apostelen niet hoe lang dit zou duren: ze werkten van week tot week. En vroeg in de morgen van de eerste dag van deze week, juist toen hij op het punt stond dit zijn twaalf apostelen aan te kondigen, kwamen Simon Petrus, Jakobus Zebedeüs, en Judas Iskariot bij hem voor een persoonlijk gesprek. Toen Petrus Jezus terzijde had genomen, verstoutte hij zich te zeggen: ‘Meester, wij komen u op verzoek van onze metgezellen vragen of de tijd nu niet rijp is om het koninkrijk binnen te gaan. En wilt ge het koninkrijk in Kafarnaüm afkondigen of moeten we daarvoor door naar Jeruzalem? En wanneer zullen we, ieder van ons, horen welke posities wij bij u zullen bekleden, bij het vestigen van het koninkrijk...’ en Petrus zou zijn doorgegaan met het stellen van vragen, als Jezus niet waarschuwend zijn hand had opgestoken en hem had doen ophouden. En toen hij de andere apostelen die dichtbij stonden, had gewenkt om zich bij hen te voegen, zei hij: ‘Kinderkens, hoe lang moet ik nog geduld met jullie hebben! Heb ik jullie niet duidelijk gezegd dat mijn koninkrijk niet van deze wereld is? Ik heb jullie al vaak gezegd dat ik niet gekomen ben om op de troon van David te zitten, en hoe komt het dan dat jullie nu komen vragen welke positie ieder van jullie in het koninkrijk van de Vader zal gaan bekleden? Kunnen jullie niet inzien dat ik jullie geroepen heb om ambassadeurs van een geestelijk koninkrijk te zijn? Begrijp je dan niet dat jullie mij al spoedig, heel spoedig, zult moeten vertegenwoordigen in de wereld en in de verkondiging van het koninkrijk, zoals ik nu mijn Vader vertegenwoordig die in de hemel is? Kan het zo zijn dat ik jullie heb uitgekozen en geïnstrueerd als boodschappers van het koninkrijk, en dat jullie toch de natuur en betekenis niet begrijpt van dit komende koninkrijk van de goddelijke voorrang in de harten der mensen? Vrienden, luistert nog eens naar mij. Zet de idee uit je hoofd dat mijn koninkrijk een heerschappij van macht of glorie is. Alle macht in hemel en op aarde zal mij inderdaad spoedig in handen worden gelegd, maar het is niet de wil van de Vader dat wij in dit tijdperk deze goddelijke gave gebruiken om onszelf te verheerlijken. In een volgend tijdperk zullen jullie inderdaad met mij in macht en heerlijkheid zijn gezeten, maar het betaamt ons nu ons te onderwerpen aan de wil van de Vader en nederig en gehoorzaam uit te gaan om te doen wat hij op aarde van ons verlangt.’

138:7.2

Eens te meer waren zijn metgezellen geschokt en verbijsterd. Jezus zond hen twee aan twee heen om te bidden en vroeg hun tegen de middag terug te komen. Op deze kritieke ochtend trachtte elk van hen God te vinden, en elk trachtte de ander op te beuren en kracht te geven, en zij gingen naar Jezus terug zoals hij hun had opgedragen.

138:7.3

Jezus vertelde hun nu opnieuw over de komst van Johannes, de doop in de Jordaan, het bruiloftsfeest te Kana, het kiezen van de zes, kortgeleden, en hoe zijn eigen broers naar het vlees zich van hen hadden teruggetrokken, en hij waarschuwde hen dat de vijand van het koninkrijk zou trachten ook hen weg te trekken. Na deze korte, maar ernstige toespraak stonden de apostelen, voorgegaan door Petrus, allen op om hun onvergankelijke toewijding aan hun Meester tot uiting te brengen en onwankelbare trouw te beloven aan het koninkrijk—zoals Tomas het uitdrukte: ‘Aan dit komende koninkrijk, wat het ook mag zijn en zelfs al begrijp ik het niet helemaal.’ Zij geloofden allen waarlijk in Jezus, ook al konden zij zijn onderricht niet helemaal begrijpen.

138:7.4

Jezus vroeg hun nu hoeveel geld zij met elkaar hadden; hij informeerde ook welke voorzieningen er voor hun gezinnen waren getroffen. Toen bleek dat ze nauwelijks voldoende geld hadden om zelf twee weken rond te kunnen komen, zei hij: ‘Het is niet de wil van mijn Vader dat wij ons werk op deze wijze beginnen. Wij zullen hier twee weken bij het meer blijven om te vissen, of te doen wat onze handen vinden om te doen; intussen moeten jullie, onder leiding van Andreas, de eerst gekozen apostel, je zo organiseren dat voorzien wordt in alles wat nodig is voor jullie toekomstige werk, zowel voor het huidige persoonlijke dienstbetoon, als voor later, wanneer ik jullie zal bevestigen als predikers van het evangelie en leraren van de gelovigen.’ Ze vrolijkten allen zeer op door deze woorden; dit was voor hen de eerste stellige, positieve aanzegging dat Jezus van plan was, later een meer energiek en in het oog lopend optreden in het openbaar aan te vangen.

138:7.5

De apostelen brachten de rest van de dag door met het goed regelen van hun organisatie en met het zorgen voor boten en netten om de volgende ochtend met het vissen te kunnen beginnen, want zij hadden allen besloten zich daaraan te gaan wijden: de meesten van hen waren vissers geweest, zelfs Jezus was een ervaren schipper en visser. Veel van de boten die zij de eerstkomende paar jaar gebruikten, had Jezus eigenhandig gebouwd. Het waren dan ook goede, betrouwbare boten.

138:7.6

Jezus droeg hun op zich twee weken aan het vissen te wijden en voegde eraan toe: ‘Daarna zullen jullie erop uit gaan om vissers van mensen te worden.’ Zij visten in drie groepen, waarbij Jezus iedere avond met een andere groep uitvoer. En zij genoten er zo van als Jezus bij hen was! Hij was een goed visser, een opgewekte kameraad, en een inspirerende vriend: hoe langer ze met hem werkten hoe meer ze van hem hielden. Matteüs zei op een dag: ‘Hoe meer je sommige mensen begrijpt, hoe minder je hen bewondert, maar van deze man moet ik zeggen dat hoe minder ik hem begrijp, hoe meer ik van hem houd.’

138:7.7

Dit plan om twee weken te vissen en dan twee weken erop uit te trekken om persoonlijk werk te doen voor het koninkrijk, werd gedurende meer dan vijf maanden gevolgd, tot aan het eind van dit jaar a.d. 26, toen de speciale vervolgingen die gericht waren tegen de discipelen van Johannes na diens gevangenneming, waren opgehouden.

8. Het eerste werk van de twaalf

138:8.1

Na de visvangsten van twee weken van de hand gedaan te hebben, verdeelde Judas Iskariot, die gekozen was als penningmeester van de twaalf, het geld van de apostelen in zes gelijke delen, nadat in de middelen voor het levensonderhoud van de gezinnen die van hen afhankelijk waren, was voorzien. Daarna trokken ze omstreeks half augustus van het jaar 26 er twee aan twee op uit naar het arbeidsterrein dat Andreas hen had toegewezen. De eerste twee weken ging Jezus met Andreas en Petrus mee, de tweede twee weken met Jakobus en Johannes, en zo verder met de andere paren, in de volgorde waarin ze gekozen waren. Op deze manier was hij in staat om ten minste eenmaal met ieder paar mee te gaan, voordat hij hen bijeenriep voor de aanvang van hun optreden in het openbaar.

138:8.2

Jezus leerde hun om de vergeving der zonden door geloof in God, zonder boetedoening of offer, te prediken, en ook dat de Vader in de hemel al zijn kinderen liefheeft met dezelfde eeuwige liefde. Hij verbood zijn apostelen te spreken over:

138:8.3

1. het werk en de gevangenschap van Johannes de Doper;

138:8.4

2. de stem bij de doop. Jezus zei: ‘Slechts zij die de stem gehoord hebben, mogen er naar verwijzen. Spreek slechts wat je van mij gehoord hebt; spreek niet van horen zeggen.’

138:8.5

3. het veranderen van water in wijn te Kana. Jezus gebood hun met nadruk: ‘Vertel niemand over het water en de wijn.’

138:8.6

Ze hadden een heerlijke tijd, deze vijf of zes maanden waarin zij om de twee weken werkten als vissers, en voldoende verdienden om zichzelf op hun arbeidsterrein te onderhouden tijdens de daarop volgende twee weken, wanneer ze zendingswerk verrichtten voor het koninkrijk.

138:8.7

De gewone mensen verwonderden zich over het onderricht en dienstbetoon van Jezus en zijn apostelen. De rabbijnen hadden de Joden lange tijd geleerd dat onwetenden niet vroom of rechtvaardig konden zijn. Maar Jezus’ apostelen waren zowel vroom als rechtvaardig; toch leden zij er niet in het minst onder dat ze onkundig waren van veel van de geleerdheid van de rabbijnen en de wijsheid dezer wereld.

138:8.8

Jezus maakte zijn apostelen het verschil duidelijk tussen het berouw dat wordt getoond in zogenaamde goede werken, zoals dit door de Joden werd geleerd, en de verandering van denken door geloof—de wedergeboorte—die hij verlangde als toegangsprijs voor het koninkrijk. Hij leerde zijn apostelen dat geloof het enig nodige was om het koninkrijk van de Vader binnen te gaan. Johannes had hun geleerd ‘zich te bekeren—te vluchten voor de komende toorn.’ Jezus leerde: ‘Geloof is de open deur om binnen te gaan in de huidige, volmaakte, en eeuwige liefde van God.’ Jezus sprak niet als een profeet, als iemand die komt om te zeggen wat God zegt. Hij leek over zichzelf te spreken als iemand met gezag. Jezus trachtte hun denken af te brengen van het uitzien naar wonderen, en het te richten op het vinden van een werkelijke, persoonlijke ervaring van de voldoening en zekerheid van de inwoning van Gods geest van liefde en reddende genade.

138:8.9

De discipelen leerden al vroeg dat de Meester een diep respect en meevoelende genegenheid had voor iedere mens die hij ontmoette, en zij raakten diep onder de indruk van de aandacht die hij onveranderlijk en consequent aan alle soorten mannen, vrouwen, en kinderen gaf. Midden in een diepgaande discussie kon hij even ophouden, zodat hij de weg op kon gaan om een voorbijgaande vrouw die belast was naar lichaam en ziel, te bemoedigen. Hij kon een belangrijke bespreking met zijn apostelen onderbreken, om even aardig te zijn voor een kind dat hen kwam storen. Niets scheen ooit zo belangrijk te zijn voor Jezus als de individuele mens die toevallig in zijn onmiddellijke nabijheid verkeerde. Hij was de meester en leraar, maar hij was meer dan dat—hij was ook een vriend en naaste, een begripvolle kameraad.

138:8.10

Terwijl het onderricht dat Jezus in het openbaar gaf, hoofdzakelijk bestond uit gelijkenissen en korte verhandelingen, onderrichtte hij zijn apostelen altijd door middel van vragen en antwoorden. Hij onderbrak zijn toespraken in het openbaar later altijd om antwoord te geven op ernstige vragen.

138:8.11

In het eerst waren de apostelen geschokt door de wijze waarop Jezus met vrouwen omging, maar zij raakten er al spoedig aan gewend; hij gaf hun zeer duidelijk te verstaan dat in het koninkrijk aan vrouwen dezelfde rechten dienden te worden toegekend als aan mannen.

9. Vijf maanden op de proef gesteld

138:9.1

Deze enigszins monotone periode van beurtelings vissen en persoonlijk werk, bleek een afmattende ervaring voor de twaalf apostelen, doch zij doorstonden de proef. Met al hun gemopper, getwijfel en kortstondige ontevredenheid, hielden ze zich toch aan hun geloften van toewijding en trouw aan de Meester. Het was hun persoonlijke omgang met Jezus gedurende deze maanden waarin ze op de proef werden gesteld, die hem zo geliefd bij hen maakte, dat zij hem allen (behalve Judas Iskariot) trouw en toegedaan bleven zelfs in de donkere uren waarin hij terecht moest staan en gekruisigd werd. Echte mannen konden een vereerde leraar, met wie ze zo nauw hadden samengeleefd en die zich zo aan hen had gewijd, eenvoudig niet werkelijk in de steek laten. Tijdens de donkere uren van de dood van de Meester werden in het hart van deze apostelen alle rede, oordeelsvermogen en logica aan de kant gezet, terwille van deze ene buitengewone, menselijke emotie—het allerhoogste gevoel van vriendschapsloyaliteit. Door deze vijf maanden waarin zij met Jezus werkten, werd iedere apostel persoonlijk ertoe gebracht om hem als zijn beste vriend ter wereld te beschouwen. En door dit menselijke gevoel, en niet door zijn verheven onderricht of wonderbaarlijke daden, werden zij bijeengehouden tot na zijn opstanding en de hervatting van de verkondiging van het evangelie van het koninkrijk.

138:9.2

Deze maanden van rustig werken vormden niet alleen voor de apostelen een zware proeftijd, een proef die zij overleefden, maar deze periode waarin geen activiteiten in het openbaar werden ondernomen, vormde ook voor de familie van Jezus een zware beproeving. Tegen de tijd dat Jezus klaar was om aan zijn openbare optreden te beginnen, had praktisch zijn gehele familie (met uitzondering van Ruth) hem laten vallen. Bij slechts enkele gelegenheden trachtten zij later met hem in contact te komen, en dan alleen met de bedoeling hem te overreden met hen naar huis terug te keren, want zij geloofden bijna dat hij niet goed bij zinnen was. Zij konden eenvoudig de diepte van zijn filosofie niet doorgronden, noch zijn leer begrijpen; het was allemaal te veel voor degenen die van zijn eigen vlees en bloed waren.

138:9.3

De apostelen verrichtten hun persoonlijke werk in Kafarnaüm, Betsaida-Julias, Chorazin, Gerasa, Hippos, Magdala, Kana, Betlehem in Galilea, Jotapata, Rama, Safed, Gischala, Gadara, en Abila. Behalve in deze stadjes werkten ze ook in vele dorpen en op het platteland. Aan het eind van deze periode hadden de twaalf tamelijk bevredigende plannen uitgewerkt inzake de zorg voor hun respectieve families. De meesten van de apostelen waren getrouwd, en sommigen hadden meerdere kinderen, doch zij hadden zodanige regelingen getroffen voor het levensonderhoud van hun gezinsleden thuis, dat zij, met een klein beetje bijstand uit d e gezamenlijke middelen van de apostelen, hun volle energie konden geven aan het werk van de Meester, zonder dat zij zich zorgen hoefden te maken over het financiële welzijn van hun families.

10. De organisatie van de twaalf

138:10.1

De apostelen organiseerden zich al spoedig op de volgende wijze:

138:10.2

1. Andreas, de eerst gekozen apostel, werd tot hoofd en algemeen leider van de twaalf aangesteld.

138:10.3

2. Petrus, Jakobus, en Johannes werden aangewezen om de persoonlijke metgezellen van Jezus te zijn. Zij moesten dag en nacht voor hem klaar staan, in allerlei opzichten, ook lichamelijk, voor hem zorgen en hem vergezellen wanneer hij de nacht wakend doorbracht in gebed en in die mysterieuze gemeenschap met de Vader in de hemel.

138:10.4

3. Filippus werd de hofmeester van de groep. Het was zijn taak te zorgen dat er voedsel was en dat bezoekers, en soms zelfs de menigte van toehoorders, iets te eten kregen.

138:10.5

4. Natanael droeg zorg voor hetgeen de gezinnen van de twaalf nodig hadden. Hij ontving regelmatig bericht over de behoeften van ieder gezin van de apostelen en nadat hij Judas, de penningmeester, om de nodige middelen had gevraagd, zond hij deze iedere week naar degenen die ze nodig hadden.

138:10.6

5. Matteüs was de financier van het apostolische korps. Het was zijn taak ervoor te zorgen dat de inkomsten en uitgaven in evenwicht bleven en dat de kas werd aangevuld. Wanneer de middelen voor het onderlinge levensonderhoud niet binnenkwamen, indien er niet voldoende giften werden ontvangen om de groep te onderhouden, was Matteüs gemachtigd de twaalf voor een tijdje terug te sturen naar hun netten. De noodzaak hiertoe deed zich echter nooit voor nadat ze met hun werk in het openbaar waren begonnen: hij had altijd voldoende middelen voor de penningmeester om hun activiteiten te bekostigen.

138:10.7

6. Tomas ging over het reisplan. Het was zij taak om te zorgen voor logies en in het algemeen de plaatsen uit te kiezen waar onderricht gegeven en gepredikt zou worden, en daardoor een glad en vlot verloop van het reisschema zeker te stellen.

138:10.8

7. Jakobus en Judas, de tweelingzonen van Alfeüs, werden aangewezen om de menigten in goede banen te leiden. Het was hun taak om een voldoend aantal assistent-ordebewaarders aan te stellen, door wie de orde onder de menigten gehandhaafd kon worden gedurende de prediking.

138:10.9

8. Simon Zelotes was belast met de zorg voor recreatie en vrijetijdsbesteding. Hij regelde de programma’s voor de woensdagen en trachtte ook iedere dag te zorgen voor een paar uur ontspanning en afleiding.

138:10.10

9. Judas Iskariot werd tot penningmeester aangesteld. Hij hield de kas. Hij betaalde alle uitgaven en hield de boeken bij. Hij maakte van week tot week voor Matteüs een begroting van de uitgaven en bracht ook wekelijks rapport uit aan Andreas. Judas deed betalingen nadat hij door Andreas daartoe gemachtigd was.

138:10.11

Op deze wijze bleven de twaalf apostelen hun werk verrichten van het begin van hun organisatie tot de tijd dat een reorganisatie nodig was geworden door de desertie van Judas, de verrader. De Meester en zijn discipelen-apostelen gingen op deze eenvoudige manier door tot zondag, 12 januari a.d. 27, toen hij hen bijeenriep en officieel bevestigde als ambassadeurs van het koninkrijk en predikers van de blijde boodschap. Spoedig daarna maakten zij zich gereed om te vertrekken naar Jeruzalem en Judea, de eerste tocht waarbij zij in het openbaar zouden prediken.


◄ Verhandeling 137
Bovenkant
Verhandeling 139 ►
Het Urantia Boek

Nederlandse vertaling © Stichting Urantia. Alle rechten voorbehouden.