◄ 176:2
Verhandeling 176
176:4 ►

Dinsdagavond op de Olijfberg

3. De latere bespreking in het kamp

176:3.1

Toen ze zich rond het kampvuur verzamelden, met ongeveer twintig man, vroeg Tomas: ‘Nu u terug zult komen om het werk voor het koninkrijk af te maken, zou ik u willen vragen wat onze houding moet zijn terwijl u weg bent om de zaken van de Vader te behartigen?’ Jezus keek hen rondom aan bij het licht van het vuur en antwoordde:

176:3.2

‘Zelfs jij, Tomas, begrijpt niet wat ik heb gezegd. Heb ik jullie niet al deze tijd geleerd dat jullie band met het koninkrijk geestelijk en individueel is, geheel een zaak van eigen persoonlijke ervaring in de geest door de geloofsrealisatie dat je een zoon van God bent? Wat moet ik nog meer zeggen? De val van naties, het ineenstorten van wereldrijken, de ondergang van de ongelovige Joden, het einde van een tijdperk, ja zelfs het einde van de wereld, wat raken deze zaken een mens die dit evangelie gelooft en die zijn leven geborgen heeft in de zekerheid van het eeuwige koninkrijk? Jullie die God kent en het evangelie gelooft, hebt reeds de garanties van het eeuwige leven ontvangen. Aangezien jullie leven in de geest is geleid en voor de Vader, is er niets waarover jullie ernstig bezorgd behoeft te zijn. Bouwers van het koninkrijk, de erkende burgers van de hemelse werelden, moeten zich niet laten verontrusten door wereldlijke beroeringen of ontdaan raken door omwentelingen op aarde. Wat deert het jullie die dit evangelie van het koninkrijk gelooft, wanneer naties ten onder gaan, het tijdperk eindigt, of alle zichtbare dingen ineenstorten, aangezien jullie weet dat je leven het geschenk van de Zoon is, en dat het eeuwig veilig is in de Vader? Nu jullie het tijdelijke leven in geloof hebt geleefd en de vruchten van de geest hebt voortgebracht als de rechtvaardigheid van liefdevol dienen van jullie medemens, kunnen jullie met vertrouwen uitzien naar de volgende stap in de eeuwige loopbaan, met hetzelfde geloof in je overleving dat jullie door je eerste, aardse avontuur in het zoonschap van God heeft heengedragen.

176:3.3

‘Elke generatie gelovigen moet, met het oog op de mogelijke wederkomst van de Zoon des Mensen doorgaan met zijn werk, precies zoals iedere individuele gelovige zijn werk in het leven voortzet met het oog op de onvermijdelijke natuurlijke dood die hem altijd boven het hoofd hangt. Wanneer je jezelf eenmaal door geloof bevestigd hebt als zoon van God, doet niets anders er meer toe wat de zekerheid van je overleving betreft. Maar vergis je niet! Dit overlevingsgeloof is een levend geloof, en het manifesteert steeds meer de vruchten van de goddelijke geest die het menselijke hart er eerst toe heeft geïnspireerd. Het feit dat jullie eens het zoonschap in het hemels koninkrijk hebt aanvaard, zal je niet baten wanneer de waarheden die te maken hebben met het progressieve dragen van geestelijke vruchten door de zonen van God in het vlees, steeds welbewust worden afgewezen. Jullie die met mij geweest zijt in de zaken van mijn Vader op aarde, kunt zelfs nu nog het koninkrijk in de steek laten, wanneer je merkt dat je niet houdt van de wijze waarop de Vader de mensheid dient.

176:3.4

‘Luister naar mij als individuele gelovigen en als een generatie van gelovigen, terwijl ik jullie een gelijkenis vertel: Er was eens een zeker groot man die, voordat hij een lange reis naar het buitenland ging maken, al zijn vertrouwde dienaren bij zich riep en hun al zijn bezittingen in beheer gaf. Aan de een gaf hij vijf talenten, aan een ander twee, en aan nog een ander één. Zo vertrouwde hij aan elk van de groep eerzame rentmeesters een deel van zijn goederen toe al naargelang hun verschillende bekwaamheden, en daarna ging hij op reis. Toen hun heer vertrokken was, begonnen zijn dienaren aan hun taak om winst te maken met het kapitaal dat hun was toevertrouwd. De man die vijf talenten ontvangen had, begon daar onmiddellijk handel mee te drijven en maakte al heel spoedig een winst van nog eens vijf talenten. Evenzo had degene die twee talenten had ontvangen, er spoedig twee bijverdiend. En zo maakten al deze dienaren winst voor hun meester, behalve hij die slechts één talent had ontvangen. Deze trok zich terug en groef een gat in de grond waarin hij het geld van zijn meester verborg. Kort daarop kwam de heer van die dienaren onverwachts terug en riep zijn rentmeesters op om af te rekenen. Toen allen voor hun meester verschenen waren, kwam degene die de vijf talenten had ontvangen naar voren met het hem toevertrouwde geld en bracht nog eens vijf talenten mee, zeggende: “Heer, gij hebt mij vijf talenten gegeven om te beleggen en ik ben blij u nog eens vijf talenten als mijn winst aan te kunnen bieden.” Hierop zei zijn meester tot hem: “Goed gedaan, goede en trouwe dienaar, je bent trouw geweest over slechts weinige zaken; ik zal je nu tot rentmeester maken over vele; ga terstond in tot de vreugde van je heer.” Daarop kwam degene die de twee talenten had ontvangen naar voren en zei: “Heer, gij hebt mij twee talenten in handen gegeven; zie, ik heb er nog twee bij verdiend.” En zijn heer sprak tot hem: “Goed gedaan, goede en trouwe rentmeester; jij bent ook getrouw geweest over slechts weinig, en ik zal je nu over veel stellen; ga in tot de vreugde van je heer.” Toen kwam degene die maar één talent had ontvangen om af te rekenen. Deze dienaar kwam naar voren en zei: “Heer, ik kende u en realiseerde mij dat gij een lastig man zijt, die verwacht winst te maken waarvoor ge niet persoonlijk gewerkt hebt; daarom was ik bang iets van hetgeen mij was toevertrouwd op het spel te zetten. Ik heb uw talent veilig in de grond verborgen, hier is het; nu hebt ge wat u toebehoort.” Maar zijn heer antwoordde: “Jij bent een trage en luie rentmeester. Met je eigen woorden beken je dat je wist dat ik rekenschap van je zou eisen en een redelijke winst, zoals je arbeidzame mededienaren mij vandaag hebben gegeven. Omdat je dit wist, had je op zijn minst mijn geld in handen van de bankiers moeten geven, zodat ik bij mijn terugkeer het mijne met rente terug ontvangen zou hebben.” Hierop zei deze heer tot de hoofdrentmeester: “Neem dit ene talent af van deze onnutte dienaar en geef het aan hem die de tien talenten heeft.”

176:3.5

‘Aan een ieder die heeft, zal meer gegeven worden en hij zal overvloed hebben; maar van hem die niet heeft, zal zelfs dat wat hij nog wel heeft, ontnomen worden. Je kunt niet stilstaan in de zaken van het eeuwige koninkrijk. Mijn Vader eist van al zijn kinderen dat zij toenemen in genade en kennis van waarheid. Jullie die deze waarheden kennen, moeten in steeds grotere mate de vruchten van de geest voortbrengen en steeds meer toewijding aan de dag leggen aan het onzelfzuchtig dienen van je mededienaren. Houdt in gedachten dat voor zover jullie één van de minste van mijn broeders bijstaat, je deze dienst aan mij hebben betoond.

176:3.6

‘En zo moeten jullie van nu af aan het werk voor de Vader ter hand nemen, nu en voortaan, zelfs in eeuwigheid. Ga door met het werk totdat ik kom. Doet in alle getrouwheid hetgeen jullie is toevertrouwd, en daardoor zullen jullie gereed zijn voor de oproep tot rekenschap bij de dood. Wanneer jullie zo geleefd hebt voor de heerlijkheid van de Vader en voor de voldoening van de Zoon, zullen jullie met vreugde en buitengewoon groot genoegen ingaan tot de eeuwige dienst in het eeuwigdurende koninkrijk.’

176:3.7

De waarheid is levend; de Geest van Waarheid leidt de kinderen des lichts steeds binnen in nieuwe gebieden van geestelijke werkelijkheid en goddelijk dienstbetoon. De waarheid is u niet gegeven om deze te laten stollen in vaste, veilige en geëerbiedigde vormen. Uw openbaring van waarheid moet zich zo verdiepen door het passeren van uw persoonlijke ervaring, dat zich nieuwe schoonheid en daadwerkelijke geestelijke winsten zullen onthullen aan allen die uw geestelijke vruchten zien, en ten gevolge daarvan ertoe komen de Vader die in de hemel is te verheerlijken. Alleen de trouwe dienaren die aldus groeien in de kennis der waarheid, en daardoor het vermogen ontwikkelen tot goddelijke waardering van geestelijke werkelijkheden, kunnen ooit hopen ‘volledig de vreugde van hun Heer binnen te gaan’. Welk een droevige aanblik leveren achtereenvolgende generaties van diegenen die beweren volgelingen van Jezus te zijn, wanneer ze ten aanzien van hun rentmeesterschap over de goddelijke waarheid zeggen: ‘Zie, Meester, hier is de waarheid die u ons honderd of duizend jaar geleden hebt toevertrouwd. Wij hebben er niets van verloren; wij hebben getrouw alles wat gij ons gegeven hebt, in stand gehouden; wij hebben niet toegestaan dat er veranderingen aangebracht werden in hetgeen gij ons geleerd hebt; hier is de waarheid die gij ons gegeven hebt.’ Maar zulk een pleitrede voor geestelijke traagheid zal de rentmeester van de waarheid die geen vruchten heeft voortgebracht, niet rechtvaardigen ten overstaan van de Meester. Overeenkomstig de waarheid die u in handen is gegeven, zal de Meester der waarheid u rekenschap vragen.

176:3.8

In de volgende wereld zal u gevraagd worden rekenschap af te leggen van uw gaven en uw rentmeesterschap in deze wereld. Of uw aangeboren talenten nu weinige zijn of vele, ge komt voor het feit van een rechtvaardige en barmhartige afrekening te staan. Wanneer de gaven alleen voor het najagen van zelfzuchtige doeleinden zijn gebruikt en geen aandacht is geschonken aan de hogere plicht om een grotere oogst aan vruchten van de geest voort te brengen, zoals deze aan de dag treden in een zich immer uitbreidend dienen van de mens en verering van God, dan moeten zulke zelfzuchtige rentmeesters de consequenties aanvaarden van hun welbewuste keuze.

176:3.9

En hoezeer handelde deze ontrouwe dienaar met het ene talent niet als alle zelfzuchtige mensen, in de zin dat hij zijn luiheid rechtstreeks aan zijn heer weet. Hoe sterk is de mens niet geneigd om wanneer hij geconfronteerd wordt met mislukking door eigen schuld, de blaam op anderen te werpen, vaak op hen die dit het minst verdienen!

176:3.10

Die avond, toen ze zich ter ruste begaven, zei Jezus nog: ‘Vrijelijk hebben jullie ontvangen, daarom moeten jullie ook vrijelijk van de waarheid des hemels uitdelen, en in het geven zal deze waarheid zich vermenigvuldigen en zal zij steeds helderder het licht van de reddende genade laten schijnen, juist terwijl jullie ermee werken.’


◄ 176:2
 
176:4 ►