◄ Verhandeling 174
Deel 4 ▲
Verhandeling 176 ►
Verhandeling 175

De laatste redevoering in de tempel

OM even na tweeën kwam Jezus deze dinsdagmiddag, vergezeld door elf apostelen, Jozef van Arimatea, de dertig Grieken en zekere andere discipelen, in de tempel aan en begon zijn laatste toespraak in de voorhoven van het gewijde gebouw. Deze rede was bedoeld als zijn laatste beroep op het Joodse volk en zijn laatste aanklacht jegens zijn verwoede vijanden en degenen die hem meenden te kunnen vernietigen—de schriftgeleerden, Farizeeën, Sadduceeën en de oversten van Israel. De hele ochtend hadden de verschillende groepen de gelegenheid gehad om Jezus vragen te stellen; deze middag stelde niemand hem een vraag.

175:0.2

Toen de Meester begon te spreken, was de voorhof van de tempel rustig en ordelijk. De geldwisselaars en de kooplieden hadden het niet gewaagd weer de tempel binnen te komen nadat Jezus en de opgewonden menigte hen de vorige dag naar buiten hadden gejaagd. Voordat hij zijn toespraak begon, keek Jezus liefdevol neer op dit gehoor dat nu spoedig zijn openbare afscheidsrede zou horen, een toespraak vol mededogen voor de mensheid, gekoppeld aan zijn laatste veroordeling van de valse leraren en dweepzieke leiders van de Joden.

1. De redevoering

175:1.1

‘Lange tijd ben ik nu reeds bij u en ben ik door het land getrokken om de liefde van de Vader voor de mensenkinderen te verkondigen, en velen hebben het licht gezien en zijn door geloof het koninkrijk des hemels binnengegaan. In verband met dit onderricht en deze prediking heeft de Vader vele wonderbaarlijke werken gedaan, tot zelfs de opwekking uit de dood toe. Vele zieken en met kwalen bezochten zijn genezen omdat zij geloofden; maar al dit verkondigen van waarheid en genezen van ziekte heeft degenen die weigeren het licht te zien, die vastbesloten zijn dit evangelie van het koninkrijk te verwerpen, niet de ogen geopend.

175:1.2

‘Voorzover dit samen kon gaan met het doen van de wil van mijn Vader, hebben ik en mijn apostelen onze uiterste best gedaan om in vrede met onze broeders te leven, om ons te voegen naar de redelijke eisen van de wetten van Mozes en de tradities van Israel. Wij hebben volhardend vrede gezocht, maar de leiders van Israel willen deze niet. Door de waarheid Gods en het licht des hemels te verwerpen, scharen zij zich aan de zijde van dwaling en duisternis. Er kan geen vrede zijn tussen licht en duisternis, tussen leven en dood, of tussen waarheid en dwaling.

175:1.3

‘Velen van u hebben het aangedurfd mijn leer te geloven en zijn reeds ingegaan tot de vreugde en vrijheid van het bewustzijn dat zij zonen zijn van God. En gij zult van mij willen getuigen dat ik dit zelfde zoonschap met God aan de hele Joodse natie heb aangeboden, zelfs aan de mannen die nu mijn ondergang trachten te bewerkstelligen. Zelfs nu nog zou mijn Vader deze verblinde leraren en huichelachtige leiders aannemen, indien zij zich slechts tot hem zouden wenden en zijn genade zouden aanvaarden. Zelfs nu is het nog niet te laat voor deze mensen om het woord des hemels aan te nemen en de Zoon des Mensen te verwelkomen.

175:1.4

‘Mijn Vader heeft lang barmhartigheid betracht jegens dit volk. Van generatie tot generatie hebben wij onze profeten gezonden om hen te onderrichten en te waarschuwen, en de ene generatie na de andere heeft deze door de hemel gezonden leraren gedood. En nu gaan uw eigenzinnige hogepriesters en halsstarrige oversten ongestoord door, en doen precies hetzelfde. Zoals Herodes de dood van Johannes bewerkstelligde, maakt gij u klaar om de Zoon des Mensen te doden.

175:1.5

‘Zolang er een kans bestaat dat de Joden zich tot mijn Vader zullen wenden en het heil zullen zoeken, zal de God van Abraham, Isaak en Jakob vol barmhartigheid zijn handen naar u uitgestrekt houden; maar wanneer ge uw beker van onboetvaardigheid eenmaal hebt gevuld, en wanneer ge de genade van mijn Vader eenmaal voorgoed hebt verworpen, zal deze natie aan zijn eigen beraadslagingen worden overgelaten en zal zij spoedig tot een roemloos einde komen. Dit volk was ertoe geroepen het licht der wereld te worden, om de geestelijke glorie van een volk dat God kent aan de dag te leggen, maar gij zijt zo ver afgeweken van de vervulling van uw goddelijke voorrechten, dat uw leiders nu op het punt staan de grootste dwaasheid aller tijden te begaan, in de zin dat zij er na aan toe zijn het geschenk van God aan alle mensen en voor alle eeuwen—de openbaring van de liefde van de Vader in de hemel voor al zijn schepselen op aarde—voorgoed te verwerpen.

175:1.6

‘En wanneer gij deze openbaring van God aan de mens eenmaal verwerpt, zal het koninkrijk des hemels aan andere volkeren worden gegeven, aan hen die het met vreugde en blijdschap zullen ontvangen. Namens de Vader die mij gezonden heeft, waarschuw ik u plechtig dat ge op het punt staat uw plaats in de wereld als de vaandeldragers van de eeuwige waarheid en de behoeders van de goddelijke wet te verliezen. Nu, op dit ogenblik, bied ik u uw laatste kans om naar voren te komen en berouw te tonen, om uw voornemen te kennen te geven God van ganser harte te zoeken en om, als kleine kinderen en door oprecht geloof, de veiligheid en het heil van het koninkrijk binnen te gaan.

175:1.7

‘Mijn Vader heeft lang voor uw redding gearbeid, en ik ben nedergedaald om onder u te leven en u persoonlijk de weg te wijzen. Velen zowel onder de Joden als onder de Samaritanen, en zelfs onder de heidenen, hebben het evangelie van het koninkrijk geloofd, maar zij die de eersten moesten zijn om naar voren te komen en het licht des hemels te aanvaarden, hebben vastberaden geweigerd de openbaring van de waarheid van God te geloven—God geopenbaard in de mens en de mens opgeheven tot God.

175:1.8

‘Deze middag staan mijn apostelen hier zwijgend voor u, maar ge zult hun stemmen weldra luide horen klinken om u op te roepen tot het heil en u aan te sporen u bij het hemelse koninkrijk aan te sluiten als zonen van de levende God. En nu roep ik dezen, mijn discipelen en gelovigen in het evangelie van het koninkrijk des hemels, ten getuige, alsook de onzichtbare boodschappers aan hun zijde, dat ik nog eenmaal aan Israel en zijn leiders verlossing en redding heb aangeboden. Maar ge ziet allen hoe de barmhartigheid van de Vader versmaad wordt en de boodschappers van de waarheid worden verworpen. Niettemin waarschuw ik u dat deze schriftgeleerden en Farizeeën nog steeds op de stoel van Mozes zitten, en daarom zeg ik u met deze oudsten in Israel samen te werken totdat de Meest Verhevenen die in de koninkrijken der mensen regeren, deze natie ten laatste omver zullen werpen en de plaats van deze leiders zullen vernietigen. Het wordt niet van u verlangd dat ge u met hen verenigt in hun plannen om de Zoon des Mensen te doden, maar in alles wat met de vrede van Israel te maken heeft, moet ge u aan hen onderwerpen. Handelt in al deze zaken naar hetgeen zij u opdragen en houdt u aan de hoofdzaken van de wet, maar neemt hun boze werken niet ten voorbeeld. Houdt in gedachten dat dit de zonde van deze oversten is: zij zeggen hetgeen goed is, maar zij doen het niet. Ge weet heel goed dat deze leiders u zware lasten op de schouders leggen, lasten zwaar om te dragen, en dat zij geen vinger zullen uitsteken om u deze lasten te helpen dragen. Zij hebben u bezwaard met ceremoniën en u tot slaven van tradities gemaakt.

175:1.9

‘Voorts scheppen deze egocentrische leiders er behagen in hun goede werken zo te doen, dat ze door de mensen gezien zullen worden. Zij maken hun gebedsriemen breed en vergroten de kwasten aan hun officiële gewaden. Zij begeren de beste plaatsen bij de feestmalen en eisen de erezetels in de synagogen voor zich op. Zij zijn gesteld op lovende begroetingen op de marktpleinen en verlangen door alle mensen rabbi genoemd te worden. En terwijl zij al deze eer van de mensen verlangen, leggen zij ook nog heimelijk beslag op de huizen van weduwen en trekken geldelijk voordeel uit de diensten in de heilige tempel. Deze huichelaars doen voor de schijn lange gebeden in het openbaar en geven aalmoezen om de aandacht van hun medemensen te trekken.

175:1.10

‘Hoewel ge hen die over u gesteld zijn, dient te eren en respect dient te hebben voor uw leraren, dient ge niemand in geestelijke zin uw Vader te noemen, want er is maar één die uw Vader is, God zelf. Ook moet ge niet trachten de heer te spelen over uw broeders in het koninkrijk. Houdt in gedachten dat ik u geleerd heb dat hij die de grootste onder u wil zijn, de dienaar van allen moet worden. Wanneer ge u vermeet u voor God te verhogen, zult ge zeker vernederd worden, maar wie zichzelf waarlijk vernedert, zal stellig verhoogd worden. Zoek in uw dagelijks leven geen zelfverheerlijking, maar de verheerlijking van God. Maak uw eigen wil op intelligente wijze ondergeschikt aan de wil van de Vader in de hemel.

175:1.11

‘Begrijp mij niet verkeerd. Ik koester geen wrok jegens deze overpriesters en oversten die nu mijn ondergang zoeken; ik draag deze schriftgeleerden en Farizeeën die mijn leer verwerpen, geen kwaad hart toe. Ik weet dat velen van u heimelijk geloven, en ik weet ook dat ge openlijk uw trouw aan het koninkrijk zult belijden wanneer mijn uur komt. Maar hoe zullen uw rabbi’s zichzelf rechtvaardigen, die zeggen met God te spreken en zich dan aanmatigen hem te verwerpen en te doden, die komt om de Vader aan de werelden te openbaren?

175:1.12

‘Wee u, gij schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars! Gij zoudt graag de deuren van het koninkrijk des hemels sluiten voor mensen die ernstig zoeken, omdat zij toevallig niet geleerd zijn in de dingen die gij onderwijst. Gij weigert het koninkrijk binnen te gaan en tegelijkertijd doet ge al wat in uw vermogen ligt om alle anderen te verhinderen binnen te gaan. Ge staat met uw rug tegen de deur van het heil en strijdt tegen allen die naar binnen willen gaan.

175:1.13

‘Wee u, gij schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars die gij zijt! want ge bereist inderdaad land en zee om één bekeerling te maken, en wanneer ge daarin zijt geslaagd, zijt ge niet tevreden totdat hij er tweemaal zo erg aan toe is als toen hij nog een kind der heidenen was.

175:1.14

‘Wee u, gij overpriesters en oversten, gij die beslag legt op de bezittingen der armen en zware belastingen heft van hen die God willen dienen, zoals zij menen dat Mozes het verordend heeft. Gij die weigert barmhartigheid te tonen, kunt gij op barmhartigheid hopen in de werelden hierna?

175:1.15

‘Wee u, gij valse leraren, blinde leidslieden! Wat kan men verwachten van een natie wanneer de blinden de blinden leiden? Zij zullen allen in de groeve des verderfs storten.

175:1.16

‘Wee u, die veinst wanneer gij een eed aflegt! Gij zijt bedriegers, omdat ge leert dat iemand bij de tempel mag zweren en dan zijn eed mag breken, maar dat als iemand bij het goud in de tempel zweert, hij aan zijn eed gebonden blijft. Gij zijt allen dwazen en blind. Ge zijt zelfs niet eens consequent in uw oneerlijkheid, want wat is groter, het goud of de tempel die verondersteld wordt dat goud te heiligen? Gij leert ook dat als iemand zweert bij het altaar, dit niets te betekenen heeft, maar dat indien hij zweert bij de gave die op het altaar ligt, hij geacht zal worden daaraan gehouden te zijn. Wederom zijt ge blind voor de waarheid, want wat is groter, de gave of het altaar dat de gave heiligt? Hoe kunt ge zulke huichelarij en oneerlijkheid rechtvaardigen voor het aangezicht van de God des hemels?

175:1.17

‘Wee u, gij schriftgeleerden en Farizeeën en alle andere huichelaars die u ervan vergewist dat ze tienden geven van munt, anijszaad en komijn, en tegelijkertijd de belangrijker zaken van de wet verwaarloost—geloof, barmhartigheid, en onderscheidingsvermogen! Binnen redelijke grenzen had ge het ene moeten doen, maar het andere niet moeten nalaten. Gij zijt waarlijk blinde leidslieden en stomme leraren; ge zift de mug uit en slikt de kameel door.

175:1.18

‘Wee u, gij schriftgeleerden, Farizeeën, en huichelaars! want gij zijt nauwgezet bij het reinigen van de buitenkant van de beker en de schotel, maar aan de binnenkant blijft het vuil van afpersing, overdaad, en bedrog zitten. Gij zijt geestelijk blind. Ziet ge niet in hoeveel beter het zou zijn eerst de binnenkant van de beker te reinigen, waarbij dan hetgeen over de rand loopt, vanzelf de buitenkant zal reinigen? Gij boze onverlaten! gij zorgt dat de uiterlijke handelingen in uw godsdienst voldoen aan de letter van uw interpretatie van de wet van Mozes, terwijl uw ziel doordrenkt is van ongerechtigheid en van moordzucht is vervuld.

175:1.19

‘Wee u, gij allen die de waarheid verwerpt en de barmhartigheid versmaadt! Velen van u zijn als gewitte graven die van buiten mooi lijken, maar van binnen vol doodsbeenderen en allerlei onreinheid zijn. Zo ook komt gij, die bewust de raad van God verwerpt, de mensen uiterlijk als heilig en rechtvaardig voor, doch innerlijk is uw hart vol huichelarij en ongerechtigheid.

175:1.20

‘Wee u, gij valse leidslieden van een natie! Daarginds hebt ge een monument gebouwd voor de profeten van weleer die de marteldood zijn gestorven, terwijl gij plannen maakt om hem te doden van wie zij spraken. Gij versiert de graven van de rechtvaardigen en ge vleit u met de gedachte dat gij, indien ge in de dagen van uw vaderen had geleefd, de profeten niet gedood zoudt hebben; en vervolgens, in weerwil van deze gedachten vol eigendunk, maakt ge u gereed degene te doden van wie de profeten hebben gesproken: de Zoon des Mensen. Aangezien gij zo handelt, getuigt ge van uzelf dat ge de boosaardige zonen zijt van de moordenaars der profeten. Gaat maar voort en vult de beker van uw veroordeeling tot aan de rand!

175:1.21

‘Wee u, gij kinderen des kwaads! Johannes noemde u terecht adderengebroed en ik vraag u hoe ge aan het oordeel kunt ontkomen dat Johannes over u uitgesproken heeft?

175:1.22

‘Maar zelfs nu nog bied ik u in naam van mijn Vader genade en vergiffenis aan; zelfs nu nog reik ik u liefdevol de hand van eeuwige broederschap. Mijn Vader heeft u de wijzen en profeten gezonden; sommigen hebt ge vervolgd en anderen gedood. Daarna verscheen Johannes die de komst van de Zoon des Mensen aankondigde, en ge hebt hem gedood nadat velen in zijn leer waren gaan geloven. En nu maakt ge u gereed om nog meer onschuldig bloed te vergieten. Begrijpt ge dan niet dat er een verschrikkelijke dag van afrekening zal komen, als de Rechter der ganse aarde verantwoording van dit volk zal eisen voor de wijze waarop zij deze boodschappers van de hemel hebben verworpen, vervolgd, en gedood? Begrijpt ge dan niet dat ge rekenschap zult moeten afleggen van al dit rechtvaardige bloed, van de eerste profeet die gedood werd tot aan de tijd van Zacharias, die vermoord werd tussen het heiligdom en het altaar? En wanneer ge zo voortgaat op uw boze wegen, kan deze afrekening zelfs geëist worden van de huidige generatie.

175:1.23

‘O Jeruzalem en gij kinderen Abrahams, gij die de profeten hebt gestenigd en de leraren die tot u gezonden werden hebt gedood, zelfs nu nog zou ik uw kinderen bijeen willen verzamelen zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels verzamelt, maar gij wilt niet!

175:1.24

‘Nu neem ik afscheid van u. Gij hebt mijn boodschap gehoord en gij hebt uw beslissing genomen. Diegenen die mijn evangelie hebben geloofd, zijn nu reeds veilig binnen het koninkrijk Gods. Tot u die besloten hebt de gave Gods te verwerpen, zeg ik dat ge mij niet meer in de tempel zult zien leren. Mijn arbeid voor u is gedaan. Ziet, ik ga nu heen met mijn kinderen en uw huis wordt u verlaten achtergelaten!

175:1.25

Daarop wenkte de Meester zijn volgelingen om uit de tempel te vertrekken.

2. De status van individuele Joden

175:2.1

Het feit dat de geestelijke leiders en de godsdienstleraren van het Joodse volk op een gegeven moment de leer van Jezus hebben verworpen en hebben samengespannen om zijn gruwelijke dood te bewerkstelligen, is op geen enkele wijze van invloed op de status van iedere individuele Jood voor God. En hen die belijden volgelingen van de Christus te zijn, mag het er niet toe brengen bevooroordeeld te zijn tegen de Jood als medesterveling. De Joden hebben, als natie, als sociaal-politieke groep, de verschrikkelijke prijs voor het verwerpen van de Vredevorst ten volle betaald. Al lang geleden zijn zij opgehouden de geestelijke fakkeldragers van goddelijke waarheid te zijn voor de geslachten der mensheid, maar dit vormt geen geldige reden waarom de individuele afstammelingen van de Joden uit het verre verleden individueel moeten lijden onder de vervolgingen waaraan zij zijn blootgesteld geworden door onverdraagzame, onwaardige, dweepzieke, zogenaamde volgelingen van Jezus van Nazaret, die zelf van natuurlijke geboorte een Jood was.

175:2.2

Vele malen is deze redeloze en niet-Christus-gelijke haat jegens en vervolging van Joden in de moderne tijd geëindigd in het lijden en de dood van een onschuldige individuele Jood die niemand iets had aangedaan, en wiens voorouders ten tijde van Jezus diens evangelie van harte hadden aanvaard en daarna onversaagd de dood ingingen voor de waarheid waarin zij zo van ganser harte geloofden. Welk een huiver van afgrijzen gaat er door de toeschouwende hemelse wezens wanneer zij zien hoe zij, die zich volgelingen van Jezus noemen, zich uitleven in het vervolgen, kwellen, en zelfs vermoorden van hen die in hun tijd de afstammelingen zijn van Petrus, Filippus, Matteüs en andere Palestijnse Joden, die zo heldhaftig hun leven gaven als de eerste martelaren van het evangelie van het hemelse koninkrijk!

175:2.3

Hoe wreed en onredelijk is het om onschuldige kinderen te laten lijden voor de zonden van hun voorvaderen, voor misdaden waarvan zij volkomen onkundig zijn en waarvoor ze op geen enkele wijze verantwoordelijk gesteld kunnen worden! En dan zulke schandelijke daden te verrichten in naam van hem die zijn discipelen leerde zelfs hun vijanden lief te hebben! In dit verslag van het leven van Jezus is het nu noodzakelijk een beeld te schetsen van de wijze waarop bepaalde Joden, volksgenoten van Jezus, hem afwezen en samenspanden om zijn smadelijke dood te bewerkstelligen; doch wij willen allen die dit verhaal lezen, waarschuwen dat het weergeven van deze historische gegevens geen enkele rechtvaardiging vormt voor de onrechtvaardige haat, noch een vergoelijking betekent van de onbillijke houding die zovelen belijdende Christenen vele eeuwen lang jegens individuele Joden hebben aangenomen en gekoesterd. Zij die in het koninkrijk geloven, zij die de leer van Jezus volgen, moeten ophouden de individuele Jood te mishandelen als iemand die schuldig is aan de verwerping en kruisiging van Jezus. De Vader en zijn Schepper-Zoon zijn nooit opgehouden de Joden lief te hebben. God kent geen aanzien des persoons, en het heil is er evenzeer voor de Jood als voor de niet- Jood.

3. De noodlottige vergadering van het Sanhedrin

175:3.1

Die dinsdagavond om acht uur werd de noodlottige vergadering van het Sanhedrin geopend. Reeds vele malen tevoren had dit opperste gerechtshof van de Joodse natie onofficieel de dood van Jezus verordend. Vele malen had dit hoogste bestuurslichaam besloten zijn werk een halt toe te roepen, maar nooit tevoren hadden zij het besluit genomen hem te arresteren en hem tot elke prijs ter dood te brengen. Kort voor middernacht op deze dinsdag, 4 april van het jaar 30, besloot het Sanhedrin, zoals het op dat moment was samengesteld, officieel en eenstemmig zowel Jezus als Lazarus de doodstraf op te leggen. Dit was het antwoord op het laatste beroep op de oversten der Joden dat de Meester slechts enkele uren tevoren in de tempel had gedaan, en dit vormde hun reactie van bittere verontwaardiging over de laatste hevige beschuldigingen die Jezus ten aanzien van deze zelfde overpriesters en onboetvaardige Sadduceeën en Fari- zeeën had geuit. Het uitspreken van het doodvonnis (zelfs nog voor het gerechtelijk onderzoek) over de Zoon van God was het antwoord van het Sanhedrin op het laatste aanbod van hemelse barmhartigheid dat ooit nog aan de Joodse natie als zodanig zal worden gedaan.

175:3.2

Vanaf deze dag werden de Joden aan zichzelf overgelaten om het korte bestaan dat hun als natie nog vergund was, geheel in overeenstemming met hun louter menselijke status onder de volkeren van Urantia ten einde te brengen. Israel had de Zoon van de God verworpen die een verbond had gesloten met Abraham, en hierdoor was het plan om de kinderen Abrahams tot de dragers van het licht der waarheid voor de wereld te maken, mislukt. Het goddelijke verbond was opgeheven en het einde van de Hebreeuwse natie naderde nu snel.

175:3.3

De officieren van het Sanhedrin kregen de volgende morgen vroeg het bevel Jezus te arresteren, evenwel met de opdracht erbij dat hij niet in het openbaar in hechtenis mocht worden genomen. Hun werd gezegd het zo aan te pakken, dat zij hem heimelijk konden grijpen, bij voorkeur plotseling en ’s nachts. Daar zij begrepen hadden dat hij die dag (woensdag) niet terug zou komen om in de tempel te leren, droegen ze deze officieren van het Sanhedrin op ‘hem donderdag voor middernacht voor het hoge Joodse gerechtshof voor te geleiden.’

4. De situatie in Jeruzalem

175:4.1

Aan het einde van de laatste toespraak van Jezus in de tempel waren de apostelen opnieuw in een toestand van verwarring en ontsteltenis geraakt. Voordat de Meester aan zijn verschrikkelijke aanklacht jegens de Joodse leiders begon, was Judas in de tempel teruggekomen, zodat alle twaalf apostelen de tweede helft van Jezus’ laatste toespraak in de tempel aanhoorden. Het is jammer dat Judas Iskariot niet de eerste helft van deze afscheidsrede heeft kunnen horen, waarin barmhartigheid en genade werden aangeboden. Hij hoorde dit laatste aanbod van mededogen aan de Joodse leiders niet omdat hij nog in bespreking was met een zekere groep Sadducese familieleden en vrienden, met wie hij het middagmaal had gebruikt en met wie hij overlegde hoe hij zich op de meest passende wijze los kon maken van Jezus en zijn mede-apostelen. Het was terwijl hij luisterde naar de laatste aanklacht van de Meester tegen de Joodse leiders en oversten, dat Judas uiteindelijk het vaste besluit nam om de evangeliebeweging op te geven en zijn handen van de hele onderneming af te trekken. Desondanks verliet hij de tempel in het gezelschap van de twaalf en ging met hen mee naar de Olijfberg, waar hij samen met zijn mede-apostelen luisterde naar de onheilspellende rede over de verwoesting van Jeruzalem en het einde van de Joodse natie. Ook bleef hij die dinsdagavond bij hen in het nieuwe kamp bij Getsemane.

175:4.2

De menigte die aanhoorde hoe Jezus plotseling overschakelde van zijn barmhartige beroep op de Joodse leiders naar de bittere verwijten die grensden aan een meedogenloze, openlijke veroordeling, was verbluft en verbijsterd. Die avond, terwijl het Sanhedrin zitting hield en het doodvonnis over Jezus uitsprak, en de Meester met zijn apostelen en sommige discipelen buiten op de Olijfberg neerzat en de dood van de Joodse natie voorspelde, hield heel Jeruzalem zich ernstig bezig met het in stilte bespreken van deze ene vraag: ‘Wat zullen ze met Jezus gaan doen?’

175:4.3

Ten huize van Nikodemus waren meer dan dertig vooraanstaande Joden die heimelijk in het koninkrijk geloofden, bijeengekomen om te bespreken welke koers zij zouden volgen ingeval het tot een openlijke breuk met het Sanhedrin mocht komen. Alle aanwezigen kwamen overeen dat zij hun trouw aan de Meester openlijk kenbaar zouden maken, zodra zij zouden vernemen dat hij in hechtenis was genomen. En zij handelden geheel volgens deze afspraak.

175:4.4

De Sadduceeën, die nu de meerderheid hadden in het Sanhedrin en dit beheersten, zochten Jezus uit de weg te ruimen om de volgende redenen:

175:4.5

1. Zij waren bang dat het bestaan van de Joodse natie in gevaar zou komen doordat Jezus meer en meer in de gunst kwam bij het volk en dit mogelijk verwikkelingen met het Romeinse gezag met zich mee kon brengen.

175:4.6

2. Zijn ijveren voor een hervorming in de tempel vormde een rechtstreekse aanslag op hun inkomsten: de zuivering van de tempel trof hen in hun beurs.

175:4.7

3. Zij voelden zich verantwoordelijk voor de instandhouding van de sociale orde, en zij vreesden de gevolgen van een verdere verspreiding van de vreemde, nieuwe leer van de broederschap der mensen, die Jezus verkondigde.

175:4.8

De Farizeeën hadden andere motieven om de dood van Jezus te willen. Zij vreesden hem omdat:

175:4.9

1. hij een indrukwekkende oppositie jegens hun traditionele greep op het volk vormde. De Farizeeën waren uiterst conservatief, en zij koesterden een bittere wrok jegens hem vanwege deze, naar zij meenden radicale aanslagen op hun gevestigd gezag als godsdienstleraren;

175:4.10

2. zij van oordeel waren dat Jezus de wetten overtrad; dat hij had getoond niet het minste respect te hebben voor de Sabbat en talrijke andere wettelijke en ceremoniële vereisten;

175:4.11

3. zij hem beschuldigden van godslastering omdat hij over God sprak als zijn Vader;

175:4.12

4. en nu waren zij heel boos op hem vanwege zijn laatste toespraak die een verbitterde veroordeling inhield, en die dag in de tempel was uitgesproken als het slot van zijn afscheidsrede.

175:4.13

Nadat het Sanhedrin officieel tot het doodvonnis over Jezus had besloten en het bevel had uitgevaardigd hem in hechtenis te nemen, werd deze zitting op dinsdag rond middernacht verdaagd, nadat de volgende bijeenkomst was bepaald op de volgende ochtend om tien uur ten huize van Kajafas, de hogepriester; op die bijeenkomst zouden de aanklachten worden geformuleerd waarop Jezus terecht zou moeten staan.

175:4.14

Een kleine groep Sadduceeën had zowaar voorgesteld Jezus door moord uit de weg te ruimen, maar de Farizeeën weigerden ten enen male hun medewerking te verlenen aan zulk een handelwijze.

175:4.15

Zo was dan de situatie in Jeruzalem en onder de mensen op deze veelbewogen dag, terwijl een grote toevloed van hemelse wezens over dit uitzonderlijk belangrijk toneel op aarde zweefde, verlangend iets te doen om hun geliefde Soeverein bij te staan, maar niet bij machte tot actie over te gaan omdat zij afdoend werden weerhouden door hun bevelvoerende meerderen.


◄ Verhandeling 174
Bovenkant
Verhandeling 176 ►
Het Urantia Boek

Nederlandse vertaling © Stichting Urantia. Alle rechten voorbehouden.