◄ Verhandeling 167
Deel 4 ▲
Verhandeling 169 ►
Verhandeling 168

De opwekking van Lazarus

HET was kort na twaalven toen Marta van huis ging om Jezus tegemoet te gaan, die de heuvel dichtbij Betanië afkwam. Haar broer Lazarus was nu al vier dagen dood en was zondag laat in de middag in hun eigen grafkelder achter in de tuin bijgezet. De steen bij de ingang van de grafkelder was op deze donderdagmorgen op zijn plaats ge- rold.

168:0.2

Toen Marta en Maria aan Jezus bericht zonden dat Lazarus ziek was, vertrouwden zij erop dat de Meester er iets aan zou doen. Zij wisten dat hun broer levensgevaarlijk ziek was en hoewel zij nauwelijks durfden hopen dat Jezus zijn onderricht en prediking zou onderbreken om hen te hulp te komen, hadden zij zo’n vertrouwen in zijn kracht om ziekte te genezen, dat zij dachten dat hij alleen maar genezende woorden behoefde te spreken om Lazarus ogenblikkelijk gezond te maken. En toen Lazarus overleed, enkele uren nadat de boodschapper uit Betanië naar Filadelfia was vertrokken, concludeerden zij dat dit kwam omdat de Meester pas van de ziekte van hun broer had gehoord toen het al te laat was, toen hij al verscheidene uren dood was.

168:0.3

Maar de boodschap die de koerier bij zijn terugkomst te Betanië op dinsdagmorgen meebracht, stelde hen en al hun gelovige vrienden voor een groot raadsel. De boodschapper hield vol dat hij Jezus had horen zeggen: ‘...deze ziekte is niet werkelijk ten dode.’ Ze konden ook niet begrijpen waarom hij hun geen bericht had gezonden noch anderszins had aangeboden hen te helpen.

168:0.4

Vele vrienden uit dorpjes in de buurt en anderen uit Jeruzalem kwamen over om de door verdriet overmande zusters te troosten. Lazarus en zijn zusters waren kinderen van een welvarende, voorname Jood, die de voornaamste inwoner van het dorpje Betanië was geweest. En ondanks het feit dat zij alledrie al lange tijd vurige aanhangers van Jezus waren, werden zij door iedereen die hen kende, zeer geacht. Zij hadden grote wijngaarden en olijfgaarden geërfd in deze streek, en dat zij rijk waren bleek ook uit het feit dat zij zich een privé-grafkelder op hun eigen terrein konden veroorloven. Hun beide ouders waren reeds in dit graf bijgezet.

168:0.5

Maria geloofde niet meer dat Jezus zou komen en had zich overgegeven aan haar verdriet, maar Marta klampte zich vast aan de hoop dat Jezus toch zou komen, ook nog die morgen toen ze de steen voor het graf rolden en de ingang verzegelden. Zelfs toen nog gaf ze een buurjongen opdracht om vanaf de top van de heuvel ten oosten van Betanië de weg naar Jericho in het oog te houden; deze jongen nu bracht Marta het bericht dat Jezus en zijn vrienden in aantocht waren.

168:0.6

Toen Marta Jezus bereikte, viel ze aan zijn voeten neer en riep uit: ‘Meester, indien gij hier geweest was, zou mijn broer niet zijn gestorven!’ Veel angsten gingen Marta door het hoofd, maar zij uitte geen twijfel, en waagde het niet om het gedrag van de Meester met betrekking tot de dood van Lazarus te bekritiseren of hem daarover te ondervragen. Nadat zij deze woorden gezegd had, bukte Jezus zich, hielp haar overeind, en zei: ‘Geloof alleen, Marta, en je broer zal weer opstaan.’ Toen antwoordde Marta: ‘Ik weet dat hij weer op zal staan in de opstanding van de laatste dag; en zelfs nu geloof ik dat wat gij ook maar aan God zult vragen, onze Vader u zal geven.’

168:0.7

Toen keek Jezus Marta recht in de ogen en zei: ‘Ik ben de opstanding en het leven; hij die in mij gelooft, zal leven, ook al sterft hij. Waarlijk, al wie leeft en in mij gelooft, zal nooit werkelijk sterven. Geloof je dit, Marta?’ En Marta antwoordde de Meester: ‘Ja, ik geloof allang dat gij de Verlosser zijt, de Zoon van de levende God, ja, hij die naar deze wereld zou komen.’

168:0.8

Toen Jezus naar Maria vroeg, ging Marta dadelijk naar huis en zei fluisterend tegen haar zuster: ‘De Meester is hier en heeft om jou gevraagd.’ En toen Maria dat hoorde, stond zij snel op en haastte zich naar buiten naar Jezus, die nog op dezelfde plaats stond waar Marta hem het eerst had ontmoet, op enige afstand van het huis. Toen de vrienden die bij Maria waren en haar probeerden te troosten, zagen dat zij haastig opstond en naar buiten ging, volgden zij haar in de veronderstelling dat zij naar het graf ging om te wenen.

168:0.9

Velen van de aanwezigen waren bittere vijanden van Jezus. Daarom was Marta naar buiten gegaan om hem alleen te ontmoeten en daarom was ze ook heimelijk binnen gekomen om Maria te zeggen dat hij naar haar gevraagd had. Hoewel Marta vurig verlangde Jezus te zien, wenste ze alle onaangenaamheden te vermijden die zouden kunnen ontstaan wanneer hij plotseling in een grote groep vijanden uit Jeruzalem terecht zou komen. Het was Marta’s bedoeling geweest om in het huis te blijven bij hun vrienden, terwijl Maria Jezus zou gaan begroeten, maar zij slaagde daar niet in, want allen volgden Maria en bevonden zich dus onverwachts in de tegenwoordigheid van de Meester.

168:0.10

Marta bracht Maria naar Jezus en toen zij hem zag viel ze aan zijn voeten en riep uit: ‘Wanneer gij hier maar geweest was zou mijn broer niet gestorven zijn!’ En toen Jezus zag hoe zij allen treurden over de dood van Lazarus, werd zijn ziel door mededogen bewogen.

168:0.11

Toen de rouwklagers zagen dat Maria naar buiten was gegaan om Jezus te begroeten, trokken zij zich een eindje terug terwijl Marta en Maria samen met de Meester spraken, die doorging hen te troosten en hen vermaande om krachtig te geloven in de Vader en zich volledig te voegen naar de goddelijke wil.

168:0.12

Het menselijke bewustzijn van Jezus was in hevige beroering door de strijd tussen zijn liefde voor Lazarus en de rouwende zusters en zijn verachting en minachting voor het uiterlijke vertoon van genegenheid dat sommigen van deze ongelovige Joden, met hun moordzuchtige plannen, aan de dag legden. Jezus was verontwaardigd en nam aanstoot aan het vertoon van geforceerde, uiterlijke rouw om Lazarus van sommige zogenaamde vrienden, omdat dit schijnverdriet gepaard ging met zo’n grote, bittere vijandschap in hun hart jegens hemzelf. Enkelen van deze Joden waren echter oprecht in hun rouwbetoon, want dit waren ware vrienden van de familie.

1. Bij het graf van Lazarus

168:1.1

Nadat Jezus even de tijd had genomen om Marta en Maria te troosten, een eindje bij de rouwklagers vandaan, vroeg hij hun: ‘Waar hebben jullie hem gelegd?’ Marta zei daarop: ‘Kom mee en zie zelf.’ En terwijl de Meester in stilte verder ging met de twee treurende zusters, weende hij. Toen de welwillende Joden die hen volgden, zijn tranen zagen, zei één van hen: ‘Zie hoe lief hij hem had. Had hij die de ogen van blinden geopend heeft, niet kunnen voorkomen dat deze man stierf?’ Ze stonden nu voor het familiegraf, een kleine natuurlijke grot of holte in de rotswand, die ongeveer tien meter hoog verrees in het achterste gedeelte van de tuin.

168:1.2

Het is moeilijk uit te leggen aan uw menselijke bewustzijn waarom Jezus nu eigenlijk weende. Hoewel wij toegang hebben tot de registratie van de gecombineerde menselijke gevoelens en goddelijke gedachten, zoals deze is vastgelegd in het bewustzijn van de Gepersonaliseerde Richter, weten wij niet geheel zeker wat de werkelijke oorzaak was van deze uitingen van emotie. Wij zijn geneigd te geloven dat Jezus weende vanwege een aantal gedachten en gevoelens die door zijn bewustzijn gingen, zoals de volgende:

168:1.3

1. Hij nam echt deel in het verdriet van Marta en Maria; hij had een werkelijke, diepe, menselijke affectie voor deze zusters die hun broer verloren hadden.

168:1.4

2. Zijn bewustzijn was van streek door de aanwezigheid van de menigte rouwklagers, van wie sommigen oprecht waren en sommigen alleen maar veinsden. Hij nam altijd aanstoot aan dit uiterlijk vertoon van rouw. Hij wist dat de zusters hun broer liefhadden en geloofden in de overleving van gelovigen. Deze tegenstrijdige emoties kunnen mogelijk verklaren waarom hij kreunde toen ze bij het graf kwamen.

168:1.5

3. Hij aarzelde echt om Lazarus tot het sterfelijke leven terug te brengen. Zijn zusters hadden hem werkelijk nodig, maar het speet Jezus zijn vriend terug te moeten roepen om de bittere vervolging te moeten ondergaan die, naar hij heel goed wist, Lazarus te verduren zou krijgen ten gevolge van het feit dat hij het onderwerp zou zijn van de allergrootste demonstratie van de goddelijke kracht van de Zoon des Mensen.

168:1.6

En nu mogen wij een belangwekkend en leerzaam feit vermelden: hoewel dit relaas zich ontvouwt als een ogenschijnlijk natuurlijke en normale gebeurtenis in de aangelegenheden der mensen, heeft het enkele zeer belangwekkende nevenaspecten. Ofschoon de boodschapper op zondag naar Jezus ging en hem op de hoogte bracht van de ziekte van Lazarus, en hoewel Jezus bericht stuurde dat deze ‘niet ten dode’ was, ging hij intussen toch zelf naar Betanië en vroeg de zusters zelfs: ‘Waar hebben jullie hem gelegd?’ Ook al schijnt dit alles erop te wijzen dat de Meester te werk ging op de manier van dit leven en in overeenstemming met de beperkte kennis van zijn menselijke bewustzijn, onthullen de verslagen van het universum niettemin dat Jezus’ Gepersonaliseerde Richter opdracht gaf om de Gedachtenrichter van Lazarus voor onbepaalde tijd op de planeet vast te houden na de dood van Lazarus, en dat deze opdracht werd geregistreerd precies vijftien minuten voordat Lazarus zijn laatste adem uitblies.

168:1.7

Wist het goddelijke bewustzijn van Jezus, zelfs voordat Lazarus stierf, dat hij hem uit de dood zou opwekken? Wij weten dit niet. Wij weten slechts wat wij hierbij vastleggen.

168:1.8

Velen van de vijanden van Jezus waren bereid de blijken van zijn affectie te bespotten, en zij zeiden onder elkaar: ‘Als hij zoveel waardering voor deze man had, waarom heeft hij dan zo lang getalmd voor hij naar Betanië kwam? Als hij is wat men van hem beweert, waarom heeft hij zijn dierbare vriend dan niet gered? Wat voor nut heeft het om vreemden te genezen in Galilea, als hij degenen die hij liefheeft niet kan redden?’ En op vele andere wijzen bespotten en kleineerden ze het onderricht en het werk van Jezus.

168:1.9

En zo was dan op deze donderdagmiddag omstreeks half drie het toneel in dit kleine dorpje Betanië geheel gereed voor het allergrootste werk in het dienstbetoon van Michael van Nebadon op aarde, de grootste manifestatie van goddelijke kracht gedurende zijn incarnatie in het vlees, want zijn eigen opstanding vond plaats nadat hij van de banden van zijn sterfelijk omhulsel was bevrijd.

168:1.10

De kleine groep die voor het graf van Lazarus verzameld was, had geen besef van de aanwezigheid, vlakbij, van een grote toevloed van hemelse wezens van alle orden, verzameld onder de aanvoering van Gabriël op aanwijzing van de Gepersonaliseerde Richter van Jezus, die zich in vibrerende verwachting gereedhield om de opdrachten van hun geliefde Soeverein uit te voeren.

168:1.11

Toen Jezus de bevelende woorden sprak: ‘Neem de steen weg,’ maakten de verzamelde hemelse heerscharen zich op om de dramatische handeling van de opwekking van Lazarus in de gelijkenis van zijn sterfelijke vlees uit te voeren. Zo’n vorm van opwekking houdt moeilijkheden in bij de uitvoering die de gebruikelijke techniek van de opwekking van stervelingen in morontia-gedaante verre te boven gaan, en vergt veel meer hemelse persoonlijkheden en een veel grotere organisatie van universum-faciliteiten.

168:1.12

Toen Marta en Maria dit bevel van Jezus hoorden, de opdracht om de steen voor het graf opzij te rollen, werden zij vervuld van tegenstrijdige gevoelens. Maria hoopte dat Lazarus uit de dood opgewekt zou worden, maar ofschoon Marta tot op zekere hoogte het geloof van haar zuster deelde, was ze meer verontrust door de angst dat Lazarus naar het uiterlijk niet presentabel zou zijn voor Jezus, de apostelen, en hun vrienden. Marta zei daarom: ‘Moeten wij de steen wel opzij rollen? Mijn broer is nu vier dagen dood, zodat de ontbinding van het lichaam nu is begonnen.’ Marta zei dit ook omdat zij niet zeker wist waarom de Meester had verzocht de steen te verwijderen: zij dacht dat Jezus misschien alleen een laatste blik wilde werpen op Lazarus. Zij was niet vastbesloten en standvastig in haar instelling. Terwijl zij aarzelden om de steen opzij te rollen, zei Jezus: ‘Heb ik jullie niet vanaf het begin gezegd dat deze ziekte niet ten dode zou zijn? Ben ik niet gekomen om mijn belofte te vervullen? Toen ik bij jullie was, heb ik toen niet gezegd dat jullie, indien je maar zoudt geloven, de heerlijkheid van God zouden zien? Waarom twijfelen jullie? Hoe lang duurt het nog voordat jullie willen geloven en gehoorzamen?’

168:1.13

Toen Jezus was uitgesproken, pakten zijn apostelen, geholpen door bereidwillige buren, de steen beet en rolden die weg van de toegang tot het graf.

168:1.14

Er werd algemeen geloofd onder de Joden dat de druppel gal op de punt van het zwaard van de engel des doods tegen het einde van de derde dag begon te werken, zodat deze op de vierde dag zijn volle uitwerking had. Zij achtten het mogelijk dat de ziel van de mens zich bij het graf kon ophouden tot het einde van de derde dag, en kon trachten het dode lichaam opnieuw tot leven te brengen; maar zij waren er vast van overtuigd dat zulk een ziel vóór het dagen van de vierde dag verder was gegaan naar het verblijf van de geesten die zijn heengegaan.

168:1.15

Deze overtuigingen en opvattingen aangaande de doden en het vertrek van de geesten van de doden, zorgden ervoor dat het voor allen die nu bij het graf van Lazarus aanwezig waren en vervolgens voor allen die mochten horen over hetgeen nu te gebeuren stond, een uitgemaakte zaak zou zijn dat dit werkelijk en waarlijk een geval was van opwekking uit de dood, persoonlijk bewerkt door iemand die verklaarde dat hij ‘de opstanding en het leven’ was.

2. De opwekking van Lazarus

168:2.1

Zoals deze ongeveer vijfenveertig stervelingen in een groep daar voor het graf stonden, konden zij vagelijk de figuur van Lazarus onderscheiden, in linnen doeken gewikkeld, liggend in de rechter benedennis van het rotsgraf. Terwijl deze aardse schepselen daar in vrijwel ademloze stilte stonden, had een enorme schare hemelse wezens haar plaats ingenomen, klaar om in actie te komen wanneer het signaal daartoe zou worden gegeven door Gabriël, hun bevelhebber.

168:2.2

Jezus sloeg zijn ogen op en zei: ‘Vader, ik ben u dankbaar dat u mijn verzoek hebt gehoord en ingewilligd. Ik weet dat gij mij altijd hoort, maar terwille van hen die hier bij mij staan, spreek ik zo met u, opdat zij mogen geloven dat gij mij in de wereld gezonden hebt en opdat zij mogen weten dat gij met mij samenwerkt in hetgeen wij op het punt staan te doen.’ En nadat hij gebeden had riep hij met luider stem: ‘Lazarus, kom te voorschijn!’

168:2.3

Ofschoon de mensen die toekeken onbeweeglijk bleven staan, was de grote hemelse schare in beweging, in vereende activiteit in gehoorzaamheid aan het woord van de Schepper. Het duurde slechts twaalf seconden aardse tijd voordat de tot dusver levenloze gestalte van Lazarus begon te bewegen en kort daarna rechtop ging zitten op de vooruitstekende rand van de stenen richel waarop hij had gelegen. Zijn lichaam was omwonden met grafdoeken en zijn gelaat was bedekt met een handdoek. En toen hij voor hen stond—levend—zei Jezus: ‘Maak hem los en laat hem gaan.’

168:2.4

Alle aanwezigen, behalve de apostelen en Marta en Maria, vluchtten naar het huis. Ze waren bleek van schrik en overmand door verbazing. Ofschoon enkelen nog bleven, gingen velen haastig naar huis.

168:2.5

Lazarus begroette Jezus en de apostelen en vroeg wat de grafdoeken te betekenen hadden en waarom hij in de tuin wakker was geworden. Jezus en de apostelen traden terzijde en Marta vertelde Lazarus van zijn dood, begrafenis en opwekking. Zij moest hem uitleggen dat hij op zondag was gestorven en nu op donderdag weer tot leven was gebracht, aangezien hij zich niet bewust was geweest van de tijd sinds hij in de doodsslaap was gevallen.

168:2.6

Terwijl Lazarus uit het graf kwam, gaf de Gepersonaliseerde Gedachtenrichter van Jezus, nu het hoofd van zijn soortgenoten in het plaatselijk universum, opdracht aan de vroegere Gedachtenrichter van Lazarus, nu in afwachting, om opnieuw zijn intrek te nemen in het bewustzijn en de ziel van de opgestane man.

168:2.7

Toen ging Lazarus naar Jezus en knielde, samen met zijn zusters, aan de voeten van de Meester om dank te zeggen en God te loven. Jezus nam Lazarus bij de hand, richtte hem op en zei: ‘Zoon, wat jou geschied is, zal ook door allen ervaren worden die dit evangelie geloven, zij het dat zij opgewekt zullen worden in een heerlijker gedaante. Jij zult een levende getuige zijn van de waarheid die ik heb gesproken—ik ben de opstanding en het leven. Maar laat ons nu allen in huis gaan en voedsel tot ons nemen voor deze fysieke lichamen.’

168:2.8

Terwijl zij naar het huis liepen, zond Gabriël de extra aanwezige groepen van de verzamelde hemelse heerschare heen, terwijl hij het eerste en tevens laatste geval op Urantia vastlegde dat een sterveling was opgewekt in de gelijkenis van het fysieke lichaam des doods.

168:2.9

Lazarus kon nauwelijks begrijpen wat er gebeurd was. Hij wist dat hij heel ziek was geweest, maar hij kon zich alleen herinneren dat hij in slaap was gevallen en was gewekt. Hij heeft nooit iets over deze vier dagen in het graf kunnen vertellen, omdat hij geheel bewusteloos was. De tijd bestaat niet voor hen die de slaap des doods slapen.

168:2.10

Ofschoon velen in Jezus geloofden als gevolg van dit machtige werk, verhardden anderen slechts hun hart om hem des te feller te verwerpen. Tegen de middag van de volgende dag had dit verhaal zich door heel Jeruzalem verspreid. Tientallen mannen en vrouwen kwamen naar Betanië om naar Lazarus te kijken en met hem te praten, en de geschrokken en ontstelde Farizeeën belegden haastig een vergadering van het Sanhedrin om te beslissen wat er inzake deze nieuwe ontwikkelingen gedaan diende te worden.

3. De vergadering van het Sanhedrin

168:3.1

Ook al droeg het getuigenis van deze mens die uit de dood was opgewekt er zeer toe bij om het geloof van de grote massa gelovigen in het evangelie te verstevigen, had het weinig of geen invloed op de houding van de godsdienstige leiders en oversten in Jeruzalem, behalve dan dat het hun beslissing verhaastte om Jezus te gronde te richten en een einde te maken aan zijn werk.

168:3.2

De volgende dag, vrijdag, kwam het Sanhedrin om één uur bijeen om verder te beraadslagen over de vraag, ‘Wat zullen wij met Jezus van Nazaret doen?’ Na discussies en scherpe woordenwisselingen van meer dan twee uur, diende een zekere Farizeeër een motie in waarin erop aangedrongen werd Jezus onmiddellijk ter dood te brengen, en waarin gesteld werd dat hij een bedreiging vormde voor gans Israel en dat het Sanhedrin formeel verplicht was tot het vellen van het doodvonnis, zonder verder gerechtelijk onderzoek en in strijd met alle precedent.

168:3.3

Keer op keer had dit hoge college van Joodse leiders bevolen dat Jezus in hechtenis moest worden genomen en aan een gerechtelijk onderzoek moest worden onderworpen op beschuldiging van godslastering en talrijke andere aanklachten dat hij de Joodse heilige wet met voeten had getreden. Eén keer tevoren waren ze zelfs zover gegaan dat zij verklaarden dat hij moest sterven, maar dit was de eerste keer dat in het Sanhedrin openlijk en formeel de eis werd gesteld zijn doodvonnis te vellen, voordat er een gerechtelijk onderzoek had plaatsgevonden. Maar deze motie kwam niet in stemming, aangezien veertien leden van het Sanhedrin als één man ontslag namen toen zulk een ongehoorde handelwijze werd voorgesteld. Ofschoon het nog bijna twee weken duurde voordat dit uittreden formeel in behandeling kwam, trok deze groep van veertien zich die dag uit het Sanhedrin terug om daarna nooit meer aan de raadszittingen deel te nemen. Toen dit uittreden later in behandeling kwam, werden er nog vijf andere leden uitgestoten, omdat hun collega’s geloofden dat ze Jezus welgezind waren. Nu deze negentien mannen waren afgezet, was het Sanhedrin in staat Jezus te berechten en schuldig te verklaren met een eensgezindheid die bijna eenstemmigheid was.

168:3.4

De week daarop werden Lazarus en zijn zusters opgeroepen om voor het Sanhedrin te verschijnen. Toen hun getuigenis gehoord was, kon er geen twijfel meer bestaan dat Lazarus uit de dood was opgewekt. Hoewel de handelingen van het Sanhedrin in feite de opwekking van Lazarus toegaven, bevatte het verslag tevens een besluit waarin dit, met alle andere door Jezus verrichte wonderen, werd toegeschreven aan de kracht van de vorst der duivels, met wie Jezus, naar zij verklaarden, in bondgenootschap was.

168:3.5

Ongeacht de bron van zijn kracht om wonderen te verrichten, waren deze Joodse leiders ervan overtuigd dat indien hij niet onmiddellijk werd tegengehouden, alle gewone mensen heel spoedig in hem zouden geloven; en verder dat er ernstige verwikkelingen met de Romeinse gezagsdragers zouden ontstaan, aangezien velen van zijn gelovigen hem als de Messias, de verlosser van Israel, beschouwden.

168:3.6

Op deze zelfde vergadering van het Sanhedrin gaf Kajafas, de hogepriester, voor het eerst uiting aan het oude Joodse gezegde dat hij zo vele malen herhaalde: ‘Het is beter dat één mens sterft, dan dat de gemeenschap ten onder gaat.’

168:3.7

Alhoewel Jezus gewaarschuwd was aangaande de activiteiten van het Sanhedrin op deze donkere vrijdagmiddag, was hij niet in het minst verontrust en bleef hij gedurende de Sabbat bij zijn vrienden in Betfage, een gehucht in de buurt van Betanië, om uit te rusten. ’s Zondagsmorgens vroeg kwamen Jezus en de apostelen volgens afspraak bij elkaar ten huize van Lazarus, en na afscheid te hebben genomen van de familie in Betanië, begonnen ze aan de terugtocht naar het kamp bij Pella.

4. Het antwoord op gebed

168:4.1

Op weg van Betanië naar Pella stelden de apostelen Jezus vele vragen die de Meester alle openhartig beantwoordde, behalve die welke te maken hadden met de details van de opstanding van de doden. Zulke problemen gingen het bevattingsvermogen van zijn apostelen te boven en daarom weigerde de Meester deze vragen met hen te bespreken. Omdat hun vertrek uit Betanië geheim was gehouden, waren zij alleen. Jezus benutte daarom de gelegenheid om vele dingen tot de tien te zeggen die, naar hij dacht, hen zouden kunnen voorbereiden op de moeilijke dagen die vlak voor hen lagen.

168:4.2

Het denken van de apostelen werd zeer gestimuleerd, en zij namen de tijd om met elkaar te spreken over hun recente ervaringen, zoals deze verband hielden met het gebed en de verhoring van het gebed. Zij herinnerden zich allemaal de uitspraak van Jezus in Filadelfia tot de boodschapper uit Betanië, toen hij duidelijk zei: ‘Deze ziekte is niet werkelijk ten dode.’ En toch, ondanks deze belofte, stierf Lazarus werkelijk. Die hele dag door kwamen zij in hun discussies steeds weer terug op dit vraagstuk van de gebedsverhoring.

168:4.3

De antwoorden van Jezus op hun vele vragen kunnen als volgt worden samengevat:

168:4.4

1. Gebed is een uitdrukking van het eindige bewustzijn in een poging de Oneindige te benaderen. Ieder gebed dat wordt opgezonden, moet daarom wel beperkt zijn door de kennis, de wijsheid en de eigenschappen van het eindige wezen; evenzo moet het antwoord bepaald zijn door de visie, doeleinden, idealen en de prerogatieven van de Oneindige. Er kan nooit een ononderbroken continuïteit van materiële verschijnselen worden waargenomen tussen het opzenden van een gebed en de ontvangst van het volledige geestelijke antwoord daarop.

168:4.5

2. Wanneer een gebed niet verhoord lijkt te worden, beduidt het uitstel vaak een beter antwoord, al wordt het om een bepaalde goede reden zeer lang uitgesteld. Toen Jezus zei dat de ziekte van Lazarus niet werkelijk ten dode was, was hij reeds elf uur dood. Geen enkel oprecht gebed blijft onverhoord, behalve wanneer de geestelijke wereld met haar hogere gezichtspunt een beter antwoord heeft bedacht, een antwoord op de bede van de geest van mens, in tegenstelling tot het gebed dat alleen door het bewustzijn van de mens wordt opgezonden.

168:4.6

3. De beden van de tijd, wanneer zij door de geest zijn geformuleerd en in geloof geuit, zijn dikwijls zo enorm en allesomvattend, dat zij alleen in de eeuwigheid verhoord kunnen worden; de eindige bede is soms zo vervuld van de greep naar de Oneindige, dat het antwoord lang moet worden uitgesteld, zodat er een adequate capaciteit tot ontvankelijkheid kan worden geschapen; het gebed des geloofs kan zo alomvattend zijn, dat het antwoord alleen op het Paradijs kan worden ontvangen.

168:4.7

4. De antwoorden op het gebed van het sterfelijke bewustzijn zijn dikwijls van een dusdanige natuur, dat zij slechts ontvangen en herkend kunnen worden nadat ditzelfde biddende bewustzijn de staat van onsterfelijkheid heeft bereikt. Het gebed van het materiële wezen kan vaak alleen verhoord worden wanneer zulk een individu tot het geest-niveau is gevorderd.

168:4.8

5. Het gebed van een Godkennende mens kan zo verwrongen zijn door onwetendheid en zo misvormd door bijgeloof, dat het antwoord daarop hoogst ongewenst zou zijn. In dit geval moeten de bemiddelende geest-wezens zulk een gebed zo vertalen, dat wanneer het antwoord komt, de mens die deze bede heeft gedaan, het in het geheel niet herkent als het antwoord op zijn gebed.

168:4.9

6. Alle ware gebeden worden tot geestelijke wezens gericht en al zulke beden moeten in geestelijke termen beantwoord worden, en al zulke antwoorden moeten bestaan in geestelijke werkelijkheden. Geestelijke wezens kunnen geen materiële verhoring verlenen aan geest-beden, zelfs niet wanneer deze van materiële wezens komen. Materiële wezens kunnen alleen doeltreffend bidden wanneer zij ‘bidden in de geest.’

168:4.10

7. Ge kunt niet verwachten dat uw gebed verhoord zal worden, tenzij het geboren is uit de geest en gevoed door geloof. Uw oprecht geloof houdt mede in dat ge degenen die uw gebeden aanhoren, tevoren vrijwel het volle recht hebt verleend om uw beden te verhoren in overeenstemming met die allerhoogste wijsheid en goddelijke liefde waardoor, zoals uw geloof u voor ogen stelt, de wezens tot wie ge bidt altijd worden gedreven.

168:4.11

8. Het kind staat altijd in zijn recht wanneer het de vrijheid neemt zijn vader om iets te vragen; en de vader houdt zich altijd aan zijn ouderlijke verplichtingen jegens het onvolwassen kind wanneer zijn grotere wijsheid hem gebiedt het antwoord op het gebed van het kind uit te stellen, te modificeren, te ziften, te transcenderen of op te schorten naar een andere stadium in de geestelijke opklimming.

168:4.12

9. Aarzel niet de gebeden van geest-verlangen op te zenden; twijfel niet dat uw smeekbeden verhoord zullen worden. Deze verhoring zal als een tegoed voor u worden bewaard, tot ge die toekomstige geestelijke niveaus van daadwerkelijke kosmische verworvenheden hebt bereikt, op deze wereld of op andere, waar het u mogelijk zal worden de reeds lang klaarliggende antwoorden op uw eerdere maar ontijdige verzoeken te onderkennen en u toe te eigenen.

168:4.13

10. Alle ware, uit de geest geboren beden worden zeker verhoord. Vraag en ge zult ontvangen. Maar ge moet bedenken dat ge progressieve schepselen zijt van tijd en ruimte; ge moet derhalve voortdurend rekening houden met de tijd-ruimte factor in de ervaring van uw persoonlijke ontvangst van de volledige antwoorden op uw veelsoortige gebeden en smeekbeden.

5. Het verdere leven van Lazarus

168:5.1

Lazarus bleef in het huis in Betanië en was het middelpunt van grote belangstelling van vele oprechte gelovigen en talrijke nieuwsgierigen tot de week van de kruisiging van Jezus, toen hij werd gewaarschuwd dat het Sanhedrin had bevolen om hem ter dood te brengen. De oversten van de Joden waren vastbesloten de verdere verspreiding van het onderricht van Jezus tot staan te brengen en zij oordeelden terecht dat het nutteloos zou zijn Jezus ter dood te brengen als zij toelieten dat Lazarus, die het toppunt van zijn wonderdaden vertegenwoordigde, in leven bleef en getuigenis bleef afleggen van het feit dat Jezus hem uit de doden had opgewekt. Lazarus had reeds felle vervolging van hen te verduren gehad.

168:5.2

En dus nam Lazarus haastig afscheid van zijn zusters in Betanië en vluchtte via Jericho over de Jordaan, waarbij hij zich geen enkele lange rustpauze gunde tot hij Filadelfia had bereikt. Lazarus kende Abner goed en hier voelde hij zich veilig voor de moordzuchtige intriges van het verdorven Sanhedrin.

168:5.3

Kort daarna deden Marta en Maria hun land in Betanië van de hand en voegden zich bij hun broer in Perea. Inmiddels was Lazarus penningmeester van de kerk in Filadelfia geworden. Hij werd een sterk medestander van Abner in diens geschil met Paulus en de kerk in Jeruzalem en stierf uiteindelijk op 67- jarige leeftijd, aan dezelfde ziekte die hem in Betanië ten grave had gesleept toen hij nog zoveel jonger was.


◄ Verhandeling 167
Bovenkant
Verhandeling 169 ►
Het Urantia Boek

Nederlandse vertaling © Stichting Urantia. Alle rechten voorbehouden.