◄ 165:3
Verhandeling 165
165:5 ►

De aanvang van de zendingstocht

4. Het verdelen van de erfenis

165:4.1

Terwijl de apostelen de gelovigen doopten, sprak de Meester met hen die nog waren gebleven. En een zekere jongeman zei tot hem: ‘Meester, mijn vader is gestorven en heeft grote bezittingen aan mij en mijn broer nagelaten, maar mijn broer weigert mij het mijne te geven. Zoudt ge daarom mijn broer willen bevelen deze erfenis met mij te delen?’ Jezus was lichtelijk verontwaardigd dat deze materialistisch ingestelde jongeling zo’n zakelijke kwestie ter discussie stelde, maar hij nam de gelegenheid te baat om verder onderricht te geven. Jezus zei: ‘Mens, wie heeft mij tot scheidsman over u aangesteld? Waar haalt ge het idee vandaan dat ik aandacht zou moeten geven aan de materiële zaken van deze wereld?’ Toen richtte hij zich tot alle omstanders en zei: ‘Denkt eraan dat ge u hoedt voor hebzucht; het leven van de mens bestaat niet in de overvloed van dingen die hij bezit. De macht van het bezit maakt niet gelukkig en vreugde komt niet voort uit rijkdom. Bezittingen zijn op zich geen vloek, maar de hang naar rijkdom leidt er vaak toe dat men zich zozeer toelegt op de dingen van deze wereld, dat de ziel blind wordt voor de schoonheid en bekoring van de geestelijke werkelijkheden van het koninkrijk Gods op aarde en voor de vreugden van het eeuwige leven in de hemel.

165:4.2

‘Laat mij u het verhaal vertellen van een zeker rijk man wiens land overvloedige oogsten voortbracht. Toen hij nu heel rijk geworden was, begon hij bij zichzelf te overleggen en dacht: “Wat zal ik doen met al mijn rijkdom? Ik heb nu zo veel, dat ik geen plaats meer heb om mijn bezit op te slaan.” Toen hij zijn problemen had overdacht, zei hij: “Dit zal ik doen: ik zal mijn schuren afbreken en grotere bouwen en zo zal ik ruim plaats hebben om mijn oogsten en goederen op te slaan. Dan kan ik tot mijn ziel zeggen: ziel, ge hebt overvloed voor vele jaren opgeslagen; neem het nu gemakkelijk: eet, drink en wees vrolijk, want ge zijt rijk en welgesteld.”

165:4.3

‘Maar deze rijke man was ook dwaas. Terwijl hij in materieel opzicht zorg droeg voor de behoeften van zijn bewustzijn en lichaam, had hij geen schatten in de hemel verzameld om de geest te bevredigen en zijn ziel te behouden. En het was hem vervolgens niet beschoren om het genoegen te smaken om van zijn opgeslagen rijkdom gebruik te maken, want diezelfde nacht werd zijn ziel van hem opgeëist. Die nacht kwamen er rovers die zijn huis binnendrongen om hem te doden, en nadat zij zijn schuren hadden geplunderd, verbrandden ze het overige. En over het bezit dat de rovers niet ten prooi viel, gingen zijn erfgenamen elkaar te lijf. Deze mens had schatten voor zichzelf verzameld op aarde, maar hij was niet rijk voor God.’ Jezus handelde aldus met deze jongeman en zijn erfenis, omdat hij wist dat zijn moeilijkheid zijn inhaligheid was. Zelfs als dit niet het geval was geweest, zou de Meester toch niet tussenbeide gekomen zijn, want hij mengde zich nooit in de wereldlijke zaken van zijn apostelen en nog minder in die van zijn discipelen.

165:4.4

Toen Jezus klaar was met zijn verhaal, stond er een andere man op en vroeg hem: ‘Meester, ik weet dat uw apostelen al hun aardse bezittingen verkocht hebben om u te volgen en dat ze alles gemeen hebben, zoals de Essenen, maar wilt ge dat wij allen, voorzover wij uw discipelen zijn, hetzelfde doen? Is het een zonde om eerlijk verkregen rijkdom te bezitten?’

165:4.5

Jezus anwoordde op deze vraag: ‘Vriend, het is geen zonde op eerzame wijze verkregen rijkdom te bezitten; maar het is wel een zonde wanneer ge de rijkdom van materiële bezittingen tot schatten maakt die uw belangstelling in beslag nemen en uw gevoelens afwenden van de toewijding aan de geestelijke doeleinden van het koninkrijk. Er steekt geen zonde in het hebben van eerlijk verkregen bezittingen op aarde, mits uw schat in de hemel is, want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. Er is een groot verschil tussen rijkdom die tot inhaligheid en zelfzucht leidt en rijkdom die bezeten en gedistribueerd wordt in de geest van het rentmeesterschap, door degenen die een overvloed hebben aan goederen van deze wereld, en die zo rijkelijk bijdragen tot de ondersteuning van degenen die al hun energie besteden aan het werk van het koninkrijk. Velen van u die hier zonder geld verblijven, worden gevoed en gehuisvest in het tentendorp daarginds, omdat vrijgevige welgestelde mannen en vrouwen voor dit doeleinde geld hebben geschonken aan uw gastheer, David Zebedeüs.

165:4.6

‘Maar vergeet nooit dat rijkdom per slot van rekening niet duurzaam is. De liefde voor rijkdom verduistert maar al te vaak de geestelijke visie en vernietigt deze zelfs. Ge moet inzien dat het gevaar bestaat dat rijkdom niet slechts uw dienaar is, maar uw meester wordt.’

165:4.7

Jezus leerde noch gedoogde zorgeloosheid, ledigheid, onverschilligheid ten opzichte van de zorg voor de levensbehoeften voor het gezin, of het zich verlaten op aalmoezen. Wel leerde hij dat het materiële en wereldlijke ondergeschikt moet zijn aan het welzijn van de ziel en de vooruitgang van de geestelijke natuur in het koninkrijk des hemels.

165:4.8

Toen de mensen naar de oever van de rivier gingen om getuige te zijn van het dopen, ging de eerste man intussen alleen naar Jezus om te spreken over zijn erfenis, aangezien hij vond dat Jezus hem te hard had behandeld; en nadat de Meester hem weer aangehoord had, antwoordde hij: ‘Zoon, waarom verzuimt ge de gelegenheid op een dag als deze u te voeden met het brood des levens, om toe te kunnen geven aan uw neiging tot inhaligheid? Weet ge niet dat het Joodse erfrecht rechtvaardig toegepast zal worden wanneer ge met uw klacht naar het gerechtshof van de synagoge gaat? Kunt ge niet inzien, dat mijn werk te maken heeft met ervoor te zorgen dat ge weet hebt van uw hemelse erfenis? Hebt ge niet in de Schrift gelezen: “Zie de man die rijk wordt door zijn behoedzaamheid en veel beknibbelen, en dit is het loon dat hem toevalt: Terwijl hij zegt, ik heb rust gevonden en zal nu voortdurend van mijn goederen kunnen eten, weet hij intussen niet wat de tijd hem zal brengen, en ook dat hij al deze dingen aan anderen achter zal moeten laten wanneer hij sterft.” Hebt ge het gebod niet gelezen: “Ge zult niet begeren.” En ook: “Zij hebben gegeten en zich verzadigd en zijn vet geworden en daarna keerden zij zich tot andere goden.” Hebt ge in de Psalmen gelezen dat “de Heer de hebzuchtigen verafschuwt” en dat “het weinige dat een rechtvaardige heeft beter is dan de rijkdommen van vele slechte mensen.” “Zet uw zinnen niet op rijkdom, wanneer deze toeneemt.” Hebt ge gelezen dat Jeremia zegt: “Een rijke beroeme zich niet op zijn rijkdom;” en Ezechiël sprak de waarheid toen hij zei: “Woorden van liefde zijn in hun mond, maar hun hart gaat uit naar hun zelfzuchtig gewin.”’

165:4.9

Jezus zond de jongeling heen met de woorden: ‘Zoon, wat baat het u wanneer ge de hele wereld wint, en uw eigen ziel verliest?’

165:4.10

Tot een ander die in de buurt stond en Jezus vroeg hoe de rijken op de dag des oordeels ervoor zouden staan, antwoordde hij: ‘Ik ben niet gekomen om de rijken of de armen te oordelen, maar het leven dat de mensen leiden zal hen allen oordelen. Wat er verder ook van belang moge zijn voor de rijken in het oordeel, er moeten ten minste drie vragen beantwoord worden door allen die grote rijkdommen verwerven. Deze vragen zijn:

165:4.11

‘1.Hoeveel rijkdom hebt ge vergaard?

165:4.12

‘2.Hoe hebt ge deze rijkdom verkregen?

165:4.13

‘3.Hoe hebt ge uw rijkdom benut?’

165:4.14

Daarna ging Jezus naar zijn tent om voor het avondmaal een tijdje te rusten. Toen de apostelen klaar waren met het dopen kwamen zij ook en hadden nog graag met hem gesproken over rijkdom op aarde en schatten in de hemel, maar hij sliep.


◄ 165:3
 
165:5 ►