◄ 156:1
Verhandeling 156
156:3 ►

Het verblijf in Tyrus en Sidon

2. Het onderricht in Sidon

156:2.1

Toen zij Sidon binnengingen, kwamen Jezus en zijn metgezellen over een brug, voor velen van hen de eerste die ze ooit hadden gezien. Bij het gaan over deze brug zei Jezus: ‘Deze wereld is maar een brug; je kunt er over heen gaan, maar je moet niet denken dat je er een woonplaats op kunt bouwen.’

156:2.2

Terwijl de vierentwintig hun werk in Sidon aanvingen, ging Jezus logeren ten huize van Justa en haar moeder Bernice, even ten noorden van de stad. Jezus gaf de vierentwintig ’s morgens onderricht ten huize van Justa, en ’s middags en ’s avonds gingen zij heel Sidon door om te leren en te prediken.

156:2.3

De apostelen en de evangelisten werden zeer bemoedigd door de wijze waarop deze niet-Joden in Sidon hun boodschap ontvingen: tijdens hun korte verblijf aldaar werden velen tot het koninkrijk gebracht. Deze periode van ongeveer zes weken in Fenicië was een zeer vruchtbare tijd in hun werk van het winnen van zielen, maar de latere Joodse schrijvers van de Evangeliën gingen over het algemeen luchtig voorbij aan het verslag van de warme ontvangst van de leer van Jezus bij deze niet-Joden, juist in de tijd dat zo’n groot aantal van zijn eigen volk zich vijandig tegenover hem had opgesteld.

156:2.4

In vele opzichten hadden deze niet-Joodse gelovigen meer waardering voor de leer van Jezus dan de Joden. Velen van deze Grieks-sprekende Syro-Feniciërs kwamen niet alleen tot het inzicht dat Jezus zoals God was, maar ook dat God zoals Jezus was. Deze zogenaamde heidenen verwierven een goed begrip van het onderricht van de Meester over de uniformiteit van de wetten van deze wereld en het gehele universum. Ze begrepen het onderricht dat God geen aanzien des persoons kent, noch van rassen of van volkeren; dat er geen bevoorrechting bestaat bij de Universele Vader; dat het universum zich immer volledig aan wetten houdt en feilloos betrouwbaar is. Deze niet-Joden waren niet bang voor Jezus: zij durfden zijn boodschap te aanvaarden. Het is niet zo dat de mensen door de eeuwen heen Jezus niet hebben kunnen begrijpen; zij durfden hem niet te begrijpen.

156:2.5

Jezus maakte de vierentwintig duidelijk dat hij niet uit Galilea was gevlucht omdat hem de moed ontbrak zijn vijanden het hoofd te bieden. Zij begrepen dat hij nog niet bereid was tot een openlijk conflict met de bestaande godsdienst, en dat hij er niet op uit was een martelaar te worden. Tijdens een van deze besprekingen ten huize van Justa zei de Meester voor de eerste maal: ‘Zelfs al zullen hemel en aarde voorbijgaan, zullen mijn woorden van waarheid niet voorbijgaan.’

156:2.6

Het thema van het onderricht van Jezus tijdens het verblijf te Sidon was geestelijke groei. Hij zei hun dat zij niet konden blijven stilstaan: zij moesten vooruit gaan in rechtvaardigheid of terugvallen tot kwaad en zonde. Hij vermaande hen ‘de dingen die tot het verleden behoren te vergeten, terwijl je doorzet om de grotere werkelijkheden van het koninkrijk te omhelzen.’ Hij verzocht hen dringend niet tevreden te zijn met hun kindsheid in het evangelie, maar te streven naar het bereiken van de volle wasdom van het goddelijke zoonschap in de gemeenschap van de geest en in de broederschap der gelovigen.

156:2.7

Jezus zei: ‘Mijn discipelen moeten niet alleen ophouden kwaad te doen, maar leren goed te doen; jullie moet niet alleen gereinigd worden van bewuste zonde, maar je moet zelfs geen gevoelens van schuld met je om willen dragen. Indien je je zonden belijdt, zijn ze vergeven; daarom moet je je geweten vrijhouden van kwellingen.’

156:2.8

Jezus genoot zeer van het grote gevoel voor humor dat deze niet-Joden aan de dag legden. Het was zowel het gevoel voor humor dat Norana, de Syrische vrouw, aan de dag legde als haar grote, volhardende geloof, dat het hart van de Meester raakte en een beroep deed op zijn barmhartigheid. Jezus betreurde het zeer dat het zijn eigen volk—de Joden—zo aan humor ontbrak. Hij zei eens tegen Tomas: ‘Mijn volk neemt zichzelf te serieus; het ontbreekt hen vrijwel geheel aan zin voor humor. De moeizame godsdienst van de Farizeeën had nooit kunnen ontstaan bij een volk met gevoel voor humor. Ze zijn ook niet consequent; ze ziften muggen uit en slikken kamelen door.’


◄ 156:1
 
156:3 ►