◄ Verhandeling 150
Deel 4 ▲
Verhandeling 152 ►
Verhandeling 151

Het verblijf en onderricht aan de oever van het meer

ALLE groepen predikers en leraren waren op 10 maart weer bijeen in Betsaïda. Donderdagavond en vrijdag gingen velen van hen vissen, terwijl ze op de Sabbatdag naar de synagoge gingen om een bejaarde Jood uit Damascus over de heerlijkheid van vader Abraham te horen spreken. Jezus bracht het grootste deel van deze Sabbatdag alleen in de bergen door. Die zaterdagavond sprak de Meester langer dan een uur tot de bijeengekomen groepen over ‘De missie van tegenspoed en de geestelijke waarde van teleurstelling.’ Dit was een gedenkwaardige gelegenheid en zijn toehoorders vergaten de les die hij hun gaf nooit meer.

151:0.2

Jezus had zich nog niet geheel hersteld van het verdriet dat hem zo kort tevoren door zijn verwerping te Nazaret was aangedaan: de apostelen bespeurden een ongewone droefheid die onder zijn meestal zo opgewekt gedrag schuilging. Jakobus en Johannes waren een groot deel van de tijd bij hem, want Petrus had zijn handen meer dan vol met de vele verantwoordelijkheden die te maken hadden met het welzijn van en de leiding over het nieuwe korps evangelisten. Deze tijd van wachten voordat zij naar het Pascha in Jerusalem zouden gaan, brachten de vrouwen door met huisbezoek in Kafarnaüm en de stadjes en dorpen in de omtrek, waar zij het evangelie onderwezen en de zieken verzorgden.

1. De gelijkenis van de zaaier

151:1.1

Omstreeks deze tijd begon Jezus voor het eerst de methode van de gelijkenis te gebruiken om de menigten te onderrichten die hem zo vaak omringden. Daar Jezus tot laat in de avond met de apostelen en anderen had gesproken, waren er deze zondagmorgen maar weinigen uit de groep opgestaan voor het ontbijt; hij ging dus naar buiten naar de oever van het meer en zat alleen in de boot, de oude vissersboot van Andreas en Petrus die altijd tot zijn beschikking stond, en peinsde over de volgende stap die genomen moest worden in het werk van de uitbreiding van het koninkrijk. Maar de Meester zou niet lang alleen blijven. Weldra hadden de mensen uit Kafarnaüm en de dorpen in de buurt hem gevonden, en om tien uur die ochtend waren er bijna duizend bijeen bij Jezus’ boot op het strand en vroegen luide om zijn aandacht. Petrus was nu ook op, en nadat hij zich een weg naar de boot had gebaand, zei hij tegen Jezus: ‘Meester, zal ik tot hen spreken?’ Maar Jezus antwoordde, ‘Neen, Petrus, ik zal hun een verhaal vertellen.’ Toen begon Jezus de gelijkenis van de zaaier te vertellen, een van de eerste van een lange reeks van gelijkenissen die hij de scharen die hem volgden onderrichtte. Deze boot had een verhoging waarop hij zat (het was de gewoonte om zittend onderricht te geven) terwijl hij de menigte op de oever toesprak. Nadat Petrus enkele woorden gesproken had, zei Jezus:

151:1.2

‘Een zaaier ging uit om te zaaien, en het gebeurde dat bij het zaaien een deel van het zaad langs het pad viel en het werd vertrapt en door de vogels des hemels opgegeten. Een ander deel viel op steenachtige plaatsen waar maar weinig aarde was, en het ontsproot direct omdat er geen diepere grond onder was, maar zodra de zon ging schijnen, verdorde het; omdat het geen wortels had om vocht op te nemen. Ander zaad viel tussen de doornen, en bij het opgroeien van de doornen verstikte het en het bracht geen graan voort. Nog een ander deel viel op goede grond en het groeide en gaf vrucht, deels dertig-, deels zestig-, en soms honderdvoudig.’ Toen hij deze gelijkenis had uitgesproken, zei hij tot de menigte: ‘Wie oren heeft om te horen, die hore.’

151:1.3

De apostelen en degenen die bij hen waren, raakten zeer van hun stuk toen zij Jezus op deze wijze de mensen hoorden onderrichten: en na veel onderling overleg zei Matteüs die avond in de tuin van Zebedeüs tegen Jezus: ‘Meester, wat is de betekenis van de duistere woorden die u tot de scharen spreekt? Waarom spreekt u in gelijkenissen tot hen die de waarheid zoeken?’ En Jezus antwoordde:

151:1.4

‘Ik heb jullie al deze tijd geduldig onderricht. Aan jullie is gegeven de geheimenissen van het koninkrijk des hemels te kennen, maar aan de menigten zonder onderscheidingsvermogen en aan hen die uit zijn op onze ondergang, zullen de mysteriën van het koninkrijk van nu af aan in gelijkenissen worden aangeboden. En dit zullen wij doen opdat zij die werkelijk verlangen het koninkrijk binnen te gaan, de betekenis van het onderricht mogen inzien en zo het heil mogen vinden, terwijl zij die slechts luisteren om ons in de val te laten lopen, nog meer in de war zullen raken doordat zij zullen zien zonder te zien en horen zonder te horen. Kinderen, onderkennen jullie de geestelijke wet niet die zegt dat hem die heeft, zal worden gegeven zodat hij overvloed zal hebben, maar dat hem die niet heeft, zelfs zal worden ontnomen wat hij heeft? Derhalve zal ik voortaan veel tot de mensen in gelijkenissen spreken, opdat onze vrienden en zij die verlangen de waarheid te kennen, zullen vinden wat zij zoeken, terwijl onze vijanden en zij die de waarheid niet liefhebben, zullen horen zonder te verstaan. Velen van deze mensen volgen het pad der waarheid niet. De profeet heeft deze zielen zonder inzicht inderdaad beschreven met de woorden: “Want het hart van dit volk is vet geworden, hun oren zijn hardhorend en zij hebben hun ogen gesloten om de waarheid niet te zien en in hun hart te verstaan.”’

151:1.5

De apostelen begrepen de betekenis van de woorden van de Meester niet geheel. Terwijl Andreas en Tomas verder met Jezus spraken, trokken Petrus en de andere apostelen zich in een ander deel van de tuin terug en hier ontspon zich een ernstige, langdurige discussie.

2. De interpretatie van de gelijkenis

151:2.1

Petrus en de groep om hem heen kwamen tot de conclusie dat de gelijkenis van de zaaier een allegorie was, dat ieder aspect ervan een verborgen betekenis had, en dus besloten zij naar Jezus toe te gaan en hem om de uitleg te vragen. Dus benaderde Petrus de Meester met de woorden: ‘Wij zijn niet in staat de betekenis van deze gelijkenis te doorgronden en wij zouden graag willen dat gij ons deze uitlegt, want ge zegt dat het ons is gegeven de geheimenissen van het koninkrijk te kennen.’ Toen Jezus dit hoorde, zei hij tegen Petrus: ‘Zoon, ik wil je niets onthouden, maar als je mij nu eerst eens vertelde waar jullie over gesproken hebben, wat is jullie interpretatie van de gelijkenis?’

151:2.2

Na een ogenblik stilte zei Petrus: ‘Meester, wij hebben lang over de gelijkenis gesproken, en dit is de interpretatie waartoe ik gekomen ben: De zaaier is de prediker van het evangelie; het zaad is het woord van God. Het zaad dat langs het pad viel, stelt degenen voor die de leer van het evangelie niet begrijpen. De vogels die het zaad dat op de harde grond viel wegpikten, stellen Satan voor, of de boze, die op slinkse wijze wegneemt wat in de harten van deze onwetenden is gezaaid. Het zaad dat op de steenachtige plaatsen viel, en dat zo plotseling opschoot, stelt de oppervlakkige, onnadenkende mensen voor, die wanneer zij de blijde boodschap horen, deze met vreugde ontvangen; maar omdat de waarheid niet echt wortel heeft geschoten in hun dieper verstaan, is hun toewijding van korte duur wanneer zij voor beproeving en vervolging komen te staan. Wanneer er moeilijkheden komen, struikelen deze gelovigen: zij vallen af wanneer zij in verleiding komen. Het zaad dat onder de doornen viel stelt degenen voor die bereidwillig het woord horen, maar toelaten dat de zorgen van de wereld en de bedrieglijkheid van de rijkdom het woord der waarheid verstikken, zodat het onvruchtbaar wordt. Het zaad echter dat in de goede aarde viel en opgroeide, een deel om dertig-, een deel om zestig-, en een deel om honderdvoudig vrucht te dragen, stelt diegenen voor die, wanneer zij het woord der waarheid hebben gehoord, het in verschillende graden van waardering ontvangen—al naar hun verschillende verstandelijke gaven—en om die reden deze verschillende graden van religieuze ervaring vertonen.’

151:2.3

Toen Jezus Petrus’ interpretatie van de gelijkenis had aangehoord, vroeg hij de andere apostelen of zij ook niet suggesties willen doen. Op deze uitnodiging ging alleen Natanael in. Hij zei: ‘Meester, hoewel ik veel goeds in Simon Petrus’ interpretatie van de gelijkenis erken, ben ik het niet geheel met hem eens. Mijn idee over deze parabel zou zijn: het zaad stelt het evangelie van het koninkrijk voor, terwijl de zaaier staat voor de boodschappers van het koninkrijk. Het zaad dat langs het pad viel op verharde grond, stelt degenen voor die maar weinig van het evangelie hebben gehoord, samen met degenen die onverschillig zijn voor de boodschap en hun hart hebben verhard. De vogels des hemels die het zaad dat lang het pad viel wegpikten staan voor iemands levensgewoonten, de verleiding van het kwaad, en de verlangens van het vlees. Het zaad dat op de steenachtige grond viel stelt de licht geroerde zielen voor die snel nieuwe leringen kunnen aannemen en even snel de waarheid weer loslaten wanneer zij geconfronteerd worden met de moeilijkheden en realiteiten die het lastig maken om hun leven met deze waarheid in overeenstemming te brengen: zij missen geestelijk inzicht. Het zaad dat tussen de doornen viel, stelt degenen voor die wel tot de waarheden van het evangelie worden aangetrokken en van plan zijn de leer van het evangelie te volgen, maar die daarvan worden weerhouden door de trots in hun leven, door jaloezie, afgunst, en de zorgen van het aardse bestaan. Het zaad dat op goede grond viel en ontsproot om deels dertig-, deels zestig-, en soms honderdvoudig vrucht te dragen, vertegenwoordigt de natuurlijke, verschillende graden van bekwaamheid om de waarheid te bevatten en gehoor te geven aan de geestelijke leringen daarvan, van mannen en vrouwen die verschillen in geestelijke verlichting. ’

151:2.4

Toen Natanael was uitgesproken raakten de apostelen en hun metgezellen in een serieuze discussie en ernstig debat, waarbij sommigen het eens waren met de interpretatie van Petrus, terwijl een ongeveer gelijk aantal de uitleg van Natanael van de gelijkenis trachtte te verdedigen. Ondertussen waren Petrus en Natanael naar binnen gegaan, waar zij heftig en vastberaden probeerden elkaar te overtuigen en van mening te doen veranderen.

151:2.5

De Meester liet deze verwarring toe tot zij op haar heftigst was geuit; toen klapte hij in zijn handen en riep hen bij zich. Toen zij allen weer om hem heen zaten, zei hij: ‘Heeft iemand iets te zeggen voordat ik jullie iets over deze gelijkenis vertel?’ Na een ogenblik stilte nam Tomas het woord: ‘Ja Meester, ik wil graag iets zeggen. Ik herinner mij dat u ons eens duidelijk hebt gezegd nu juist hiervoor op onze hoede te zijn. U hebt ons geleerd dat wij, als wij in onze prediking aanschouwelijke voorbeelden geven, ware verhalen moeten gebruiken, geen fabels, en dat wij een verhaal moeten kiezen dat het beste de ene centrale, vitale waarheid kan verhelderen die wij de mensen willen leren, en dat wij als wij het verhaal zo hebben gebruikt, niet moeten proberen een geestelijke toepassing te vinden van alle onbelangrijke details die met het vertellen van het verhaal te maken hebben. Ik vind dat Petrus en Natanael beiden fout zijn in hun pogingen om deze gelijkenis uit te leggen. Ik bewonder hun vermogen om zulke uitleggingen te geven, maar ik ben er even zeker van dat al dergelijke pogingen om uit alle aspecten van zo’n natuurlijke gelijkenis, geestelijke analogieën te halen, alleen verwarring tot gevolg kunnen hebben en een ernstige misvatting van de ware bedoeling van zo’n parabel. Dat ik gelijk heb wordt geheel bewezen door het feit dat wij, terwijl we een uur geleden allemaal hetzelfde dachten, nu verdeeld zijn in twee aparte groepen die verschillende meningen zijn toegedaan over deze gelijkenis, en deze meningen zo ernstig nemen dat zij, naar mijn mening, ons vermogen belemmeren om de grote waarheid, die u in gedachten had toen u deze gelijkenis aan de menigte vertelde en ons vervolgens om commentaar vroeg, geheel te vatten.

151:2.6

De woorden van Tomas hadden een kalmerende uitwerking op hen allen. Door hem herinnerden zij zich wat Jezus hen bij eerdere gelegenheden had onderricht, en voordat Jezus weer het woord nam, stond Andreas en zei: ‘Ik ben ervan overtuigd dat Tomas gelijk heeft, en ik zou graag willen dat hij ons vertelt welke betekenis hij aan de gelijkenis van de zaaier geeft.’ Jezus gebaarde dat Tomas het woord moest nemen, en hij zei: ‘Broeders, ik wil deze discussie niet nog langer maken, doch als jullie dat verlangen wil ik wel zeggen dat ik denk dat deze gelijkenis ons verteld is om ons één grote waarheid te leren. En die waarheid is dat ons onderricht van het evangelie van het koninkrijk, hoe getrouw en efficiënt we onze goddelijke opdracht ook mogen uitvoeren, wisselende graden van succes zal hebben; en dat al deze verschillende resultaten rechtstreeks te maken hebben met de toestanden die inherent zijn aan de omstandigheden waarin wij optreden, toestanden waarover wij weinig of geen controle hebben.’

151:2.7

Toen Tomas had gesproken, waren de meesten van zijn medewerkers het wel ongeveer met hem eens, zelfs Petrus en Natanael kwamen op hem toe om met hem te spreken, maar Jezus stond op en zei: ‘Goed zo, Tomas, jij hebt de ware bedoeling van gelijkenissen ingezien; maar zowel Petrus als Natanael heeft jullie een even grote dienst bewezen doordat zij zo volledig hebben aangetoond hoe gevaarlijk het is om te trachten allegorieën te maken van mijn gelijkenissen. In je eigen hart kun je je vaak met profijt overgeven aan de vlucht van je verbeeldingskracht, maar je maakt een fout als je zulke gevolgtrekkingen aanbiedt als onderdeel van je openbare onderricht.’

151:2.8

Nu de spanning was geweken, feliciteerden Petrus en Natanael elkaar met hun interpretaties, en voordat de apostelen zich terugtrokken voor de nacht, probeerde elk van hen, met uitzondering van de tweeling Alfeüs, een interpretatie te geven van de gelijkenis van de zaaier. Zelfs Judas Iskariot kwam met een zeer aannemelijke interpretatie. De twaalf probeerden daarna nog dikwijls onder elkaar de gelijkenissen van de Meester te ontcijferen alsof het allegorieën waren, maar zij namen deze bespiegelingen nooit meer zo serieus. Dit was een zeer nuttige sessie voor de apostelen en hun medewerkers, vooral omdat vanaf dit moment Jezus steeds meer parabels ging gebruiken in verband met zijn openbare onderricht.

3. Meer over gelijkenissen

151:3.1

Het hoofd van de apostelen stond nu zozeer naar gelijkenissen, dat de hele volgende avond gewijd werd aan een verdere bespreking van gelijkenissen. Jezus leidde de avondbespreking in met de woorden: ‘Geliefden, jullie moeten altijd variatie aanbrengen in je onderricht, zodat je je presentatie van waarheid kunt richten naar het verstand en het hart van degenen die je voor je hebt. Wanneer je voor een menigte staat met mensen van verschillend verstandelijk vermogen en temperament, kun je geen verschillende woorden gebruiken voor iedere soort toehoorders, maar je kunt wel een verhaal vertellen om je onderricht over te brengen, en iedere groep, zelfs iedere individuele mens zal dan in staat zijn zijn eigen interpretatie te geven van je gelijkenis, al naar zijn eigen verstandelijke en geestelijke gaven. Je moet je licht laten schijnen, maar doe dit met wijsheid en tact. Niemand die een lamp aansteekt, bedekt deze met een vat of zet hem onder een bed; hij zet de lamp op een standaard waar iedereen het licht kan zien. Ik zeg jullie dat niets dat verborgen is, in het koninkrijk des hemels niet openbaar zal worden; evenmin bestaat er enig geheim dat uiteindelijk niet bekend zal worden gemaakt. Uiteindelijk komen al deze zaken aan het licht. Denkt niet alleen aan de scharen en hoe zij de waarheid aanhoren; let ook op jezelf, hoe jij de waarheid hoort. Herinner je dat ik jullie vele malen gezegd heb: aan hem die heeft zal meer gegeven worden, terwijl van hem die niet heeft ook datgene zal worden weggenomen dat hij meent te bezitten.’

151:3.2

De verdere bespreking van gelijkenissen en verdere instructie inzake hun interpretatie kan als volgt in moderne bewoordingen worden samengevat en weergegeven:

151:3.3

1. Jezus ontraadde het gebruik van fabels of allegorieën bij het onderricht in de waarheden van het evangelie. Hij beval wel het vrije gebruik van gelijkenissen aan, vooral gelijkenissen over de natuur. Hij legde de nadruk op het gebruikmaken van de analogie die er bestaat tussen de natuurlijke en de geestelijke werelden als een middel om waarheid te onderrichten. Hij zinspeelde dikwijls op het natuurlijke als ‘de onwerkelijke en vluchtige schaduw van geest-werkelijkheden.’

151:3.4

2. Jezus verhaalde drie of vier gelijkenissen uit de Hebreeuwse schrift, waarbij hij aandacht vroeg voor het feit dat deze methode van onderricht niet geheel nieuw was. Zoals hij haar vanaf die tijd ging hanteren, werd het echter wel bijna een nieuwe methode van onderricht.

151:3.5

3. Toen hij de apostelen de waarde van gelijkenissen leerde, vestigde Jezus hun aandacht op de volgende punten:

151:3.6

De gelijkenis zorgt ervoor dat enorm verschillende niveaus van bewustzijn en geest gelijktijdig worden aangesproken. De parabel stimuleert de verbeeldingskracht, doet een beroep op het onderscheidingsvermogen en lokt kritisch denken uit; zij bevordert sympathie zonder antagonisme te verwekken.

151:3.7

De gelijkenis begint met het bekende en leidt tot het onderscheiden van het onbekende. De parabel maakt gebruik van het materiële en natuurlijke als middel om het geestelijke en bovenmateriële te introduceren.

151:3.8

Gelijkenissen zijn bevorderlijk voor het nemen van onpartijdige morele beslissingen. De parabel vermijdt veel vooroordeel en brengt nieuwe waarheid op elegante wijze over aan het bewustzijn en doet dit alles met een minimum aan prikkeling tot zelfverdediging en persoonlijke ressentiment.

151:3.9

Het verwerpen van de waarheid die vervat is in de analogie van een gelijkenis, vergt bewuste verstandelijke werkzaamheid met rechtstreekse minachting voor het eigen eerlijke oordeel en billijke beslissingsvermogen. De gelijkenis dwingt tot nadenken via het zintuig van het gehoor.

151:3.10

Het gebruik van de parabel-vorm van onderricht stelt de leraar in staat nieuwe en zelfs opzienbarende waarheden naar voren te brengen, terwijl hij tegelijkertijd grotendeels alle controverse vermijdt en niet in botsing komt met de traditie en het gevestigde gezag.

151:3.11

De gelijkenis heeft ook het voordeel dat de herinnering aan de onderwezen waarheid wordt gestimuleerd, wanneer men later dezelfde vertrouwde tonelen tegenkomt.

151:3.12

Op deze wijze trachtte Jezus zijn volgelingen bekend te maken met veel van de redenen waarom hij in zijn openbare onderricht meer en meer gelijkenissen ging gebruiken.

151:3.13

Tegen het einde van het avondonderricht gaf Jezus zijn eerste commentaar op de gelijkenis van de zaaier. Hij zei dat de gelijkenis op twee dingen sloeg: in de eerste plaats was het een terugblik op zijn eigen dienstbetoon tot aan dat ogenblik en een voorspelling van hetgeen hem nog wachtte gedurende zijn verdere leven op aarde. En in de tweede plaats was het ook een aanduiding van wat de apostelen en de andere boodschappers van het koninkrijk tijdens hun dienstbetoon in de loop der tijden en van generatie tot generatie konden verwachten.

151:3.14

Jezus nam ook zijn toevlucht tot het gebruik van gelijkenissen als de best mogelijke weerlegging van de weloverwogen inspanningen die de godsdienstige leiders te Jeruzalem zich getroostten om te onderwijzen dat al zijn werken gedaan werden met behulp van demonen en de vorst der duivels. Het beroep op de natuur was strijdig met wat de religieuze leraren leerden, want de mensen van die tijd beschouwden alle natuurverschijnselen als het voortbrengsel van het rechtstreekse handelen van geestelijke wezens en bovennatuurlijke krachten. Jezus had tevens besloten deze methode van onderricht te gaan gebruiken, omdat deze hem in staat stelde waarheden die van vitaal belang waren te verkondigen aan hen die de betere weg wensten te leren kennen, terwijl zij zijn vijanden tegelijkertijd minder gelegenheid bood aanstoot aan hem te nemen en beschuldigingen tegen hem in te brengen.

151:3.15

Voordat hij die avond de groep liet uiteengaan, zei Jezus: ‘Ik zal jullie nu het laatste gedeelte van de gelijkenis van de zaaier vertellen. Ik wil jullie op de proef stellen en eens horen hoe jullie dit opvatten: het koninkrijk des hemels is ook als een man die goed zaad op de aarde wierp; en terwijl hij ’s nachts sliep en overdag zijn werk deed, ontkiemde het zaad en begon te groeien, en ofschoon hij niet wist hoe het gebeurde, ging de plant vrucht dragen. Eerst kwam er de halm, daarna de aar, en daarna het volle graan in de aar. En toen het graan rijp was, nam hij de sikkel ter hand, en de oogst kwam ten einde. Hij die oren heeft om te horen, hore.’

151:3.16

Vele malen overpeinsden de apostelen deze uitspraak, doch de Meester sprak nooit meer over deze toevoeging aan de gelijkenis van de zaaier.

4. Meer gelijkenissen aan de oever van het meer

151:4.1

De volgende dag onderrichtte Jezus de mensen wederom vanuit de boot, en sprak: ‘Het koninkrijk des hemels is gelijk een man die goed zaad zaaide in zijn akker; terwijl hij sliep, kwam echter zijn vijand en zaaide onkruid tussen de tarwe en spoedde zich heen. En toen de jonge halmen begonnen op te komen en later op het punt stonden vrucht te gaan dragen, kwam ook het onkruid op. Daarop kwamen de dienaren van deze landeigenaar en zeiden tot hem: “Heer, hebt u geen goed zaad in uw akker gezaaid? Vanwaar komt dan dit onkruid?” En hij antwoordde zijn dienaren: “Een vijand heeft dit gedaan.” De dienaren vroegen toen hun meester: “Wilt u dat wij heengaan en dit onkruid uittrekken?” Doch hij antwoordde hen met de woorden: “Neen, anders ontwortelen jullie bij het bijeenhalen daarvan ook het koren. Laat beide liever samen opgroeien tot aan de oogsttijd, wanneer ik tot de maaiers zal zeggen, haal eerst het onkruid bij elkaar en bind het in bossen om te verbranden, en breng daarna het koren bijeen om het in mijn schuur op te slaan.”’

151:4.2

Nadat de mensen enige vragen hadden gesteld, sprak Jezus nog een gelijkenis: ‘Het konink- rijk des hemels is gelijk een mosterdzaadje dat een man in zijn akker zaaide. Een mosterdzaadje is wel het kleinste onder de zaden, maar wanneer het volgroeid is, wordt het het grootste van alle kruiden en is als een boom zodat de vogelen des hemels op de takken kunnen komen rusten.’

151:4.3

‘Het koninkrijk des hemels is ook gelijk een zuurdesem, dat een vrouw pakte en in drie maten meel verborg, waardoor al het meel gezuurd werd.’

151:4.4

‘Het koninkrijk des hemels is ook gelijk een schat die verborgen was in een akker en die door een man werd ontdekt. In zijn blijdschap ging hij heen om alles te verkopen wat hij bezat om voldoende geld te hebben om die akker te kopen.’

151:4.5

‘Het koninkrijk des hemels is ook gelijk een koopman die schone parels zocht; en toen hij een parel van grote waarde gevonden had, ging hij heen en verkocht alles wat hij bezat om de buitengewone parel te kunnen kopen.’

151:4.6

‘Evenzo is het koninkrijk des hemels gelijk een sleepnet dat in de zee werd neergelaten en waarmee allerlei soorten vis werden gevangen. Toen het net vol was, trokken de vissers het op het strand, waar zij gingen zitten om de vis te sorteren, de goede verzamelden zij in vaten en de slechte wierpen zij weg.’

151:4.7

Nog vele andere gelijkenissen sprak Jezus tot de scharen. In feite gaf hij de menigten vanaf die tijd zelden anders dan op deze wijze onderricht. Nadat hij in het openbaar tot zijn gehoor in gelijkenissen had gesproken, zette hij tijdens de avondlessen zijn onderricht gewoonlijk uitgebreider en duidelijker uiteen aan de apostelen en evangelisten.

5. Het bezoek aan Keresa

151:5.1

De menigte bleef de gehele week toenemen. Op de Sabbat vertrok Jezus haastig naar de heuvels, maar toen het zondagochtend werd, kwamen de scharen terug. Jezus sprak hen in het begin van de middag toe na de preek van Petrus, en toen hij was uitgesproken, zei hij tot zijn apostelen: ‘Ik ben moe van de scharen; laten we oversteken naar de andere kant om een dag te kunnen uitrusten.’

151:5.2

Op hun tocht over het meer werden zij overvallen door een van de heftige, plotseling opstekende stormen die kenmerkend zijn voor het meer van Galilea, speciaal in dat jaargetijde. Deze watervlakte ligt meer dan tweehonderd meter beneden de zeespiegel en is omgeven door hoge oevers, vooral in het westen. Vanuit het meer gaan er steile ravijnen de heuvels in, en omdat de verwarmde lucht overdag in een zak boven het meer opstijgt, heeft na zonsondergang de afkoelende lucht uit de ravijnen de neiging om snel naar het meer te stromen. Zulke stormen steken snel op en gaan soms even snel weer liggen.

151:5.3

Zo’n avondstorm nu overviel de boot die Jezus op deze zondagavond naar de andere zijde van het meer bracht. Achter hen aan voeren nog drie andere boten met enigen van de jongere evangelisten aan boord. Het was een hevige storm, niettegenstaande het feit dat hij tot dit gedeelte van het meer beperkt bleef: op de westelijke oever was geen storm te bekennen. De wind was zo hevig, dat de golven over de boot heen sloegen. De felle wind had het zeil doen scheuren nog voor de apostelen het hadden kunnen reven, en zij waren nu geheel op hun riemen aangewezen terwijl zij zich inspanden om de oever te bereiken, op ongeveer vier kilometer afstand.

151:5.4

Ondertussen lag Jezus te slapen onder een afdakje in de achtersteven. De Meester was moe toen hij Betsaïda verliet en hij had hun gezegd hem naar de overkant te varen om wat rust te krijgen. Deze vroegere vissers waren sterke, geoefende roeiers, maar dit was een van de ergste stormen die ze ooit hadden meegemaakt. Ofschoon de wind en de golven hun boot heen en weer smeten alsof het een speelgoedscheepje was, sliep Jezus onverstoorbaar door. Petrus zat aan de rechter roeiriem bij de achtersteven. Toen de boot vol water begon te lopen, liet hij zijn roeiriem los, schoot op Jezus toe en begon hem krachtig te schudden om hem wakker te maken, en toen hij wakker was, zei Petrus: ‘Meester, weet u niet dat we midden in een hevige storm zitten? Als u ons niet redt, zullen we allen vergaan.’

151:5.5

Toen Jezus naar buiten kwam in de regen, keek hij eerst naar Petrus en vervolgens naar de mannen die zich in het duister inspanden aan de riemen, keek daarop weer Petrus aan, die in zijn ongerustheid nog niet weer aan zijn riem was gaan zitten, en zei: ‘Waarom zijn jullie allemaal zo bang? Waar is jullie geloof? Vrede, wees kalm.’ Jezus had nauwelijks deze bestraffende woorden tot Petrus en de andere apostelen geuit, nauwelijks had hij Petrus verzocht vrede te zoeken om zijn verontruste ziel te kalmeren, of de verstoorde atmosfeer hervond zijn evenwicht en er viel een grote kalmte. De woedende golven kwamen bijna ogenblikkelijk tot bedaren, terwijl de donkere wolken, die zich in een korte stortbui hadden ontlast, verdwenen en de sterren des hemels boven hen begonnen te schijnen. Voorzover wij dit kunnen beoordelen was dit alles zuiver toevallig; maar de apostelen, en in het bijzonder Simon Petrus, bleven dit voorval altijd als een natuurwonder beschouwen. Het was voor de mensen uit die tijd al heel gemakkelijk om in natuurwonderen te geloven, daar zij er vast van overtuigd waren dat de ganse natuur een verschijnsel was dat rechtstreeks werd beheerst door geestkrachten en bovennatuurlijke wezens.

151:5.6

Jezus legde de twaalf duidelijk uit dat hij tot hun verontruste geest had gesproken en zich tot hun door vrees bevangen bewustzijn had gericht, dat hij de elementen niet had bevolen zijn woord te gehoorzamen, maar het mocht niet baten. De volgelingen van de Meester bleven altijd hun eigen interpretatie geven van al zulke toevallige gebeurtenissen. Vanaf die dag stonden zij erop de Meester te beschouwen als iemand die absolute macht had over de elementen der natuur. Petrus zou nooit moede worden te herhalen hoe ‘zelfs de winden en de golven hem gehoorzamen.’

151:5.7

Het was reeds laat in de avond toen Jezus en de apostelen de oever bereikten, en daar het een kalme, mooie nacht was, bleven ze allen in de boten slapen en gingen pas de volgende morgen kort na zonsopgang aan land. Toen ze allen weer bijeen waren, ongeveer veertig mensen, zei Jezus: ‘Laten we de heuvels daarginds opgaan en daar een paar dagen blijven om over de problemen van het koninkrijk van de Vader na te denken.’

6. De krankzinnige uit Keresa

151:6.1

Ofschoon het grootste gedeelte van de oostelijke oever van het meer in die streek geleidelijk opliep naar het hoger gelegen land verderop, was er op deze bepaalde plek een steile helling, en op sommige plaatsen rees de oever loodrecht uit het meer op. Jezus wees naar de helling van de nabijgelegen heuvel en zei: ‘Laten we deze heuvel opgaan voor ons ontbijt en in een van die schuilplaatsen rusten en praten.’

151:6.2

Deze hele helling was bezaaid met spelonken die in de rots waren uitgehouwen. Veel van deze nissen waren oude graven. Ongeveer halverwege de helling lag op een kleine, betrekkelijk vlakke plek de begraafplaats van het kleine dorpje Keresa. Toen Jezus en zijn metgezellen voorbij deze begraafplaats liepen, stormde een krankzinnige op hen af die in de spelonken in de heuvelhelling huisde. Deze zwakzinnige was een bekende in deze streek, omdat hij eens met boeien en ketenen in een van de grotten vastgeklonken had gezeten. Al lang geleden had hij zijn boeien verbroken en hij doolde nu vrij rond te midden van de graven en tomben die niet meer in gebruik waren.

151:6.3

Deze man, wiens naam Amos was, leed aan een vorm van periodieke krankzinnigheid. Er waren tamelijk lange perioden waarin hij wat kleren zocht en zich redelijk goed onder de mensen kon bewegen. Tijdens een van die heldere tussenpozen was hij naar Betsaïda gegaan waar hij de prediking van Jezus en diens apostelen had beluisterd, en hij was toen een halfslachtige gelovige in het evangelie van het koninkrijk geworden. Maar al spoedig trad er weer een stormachtige fase in zijn kwaal op en vluchtte hij naar de graven, waar hij weeklaagde, kreten slaakte en zich zo gedroeg dat hij ieder die hem toevallig tegenkwam, angst aanjoeg.

151:6.4

Toen Amos Jezus herkende, viel hij aan zijn voeten neer en riep uit: ‘Ik ken u, Jezus, maar ik ben bezeten van vele duivels, en ik smeek u mij niet te kwellen.’ Deze man geloofde echt dat zijn periodieke mentale kwaal werd veroorzaakt door het feit dat er op zulke momenten boze of onreine geesten in hem voeren en zijn bewustzijn en lichaam beheersten. Zijn moeilijkheden waren voornamelijk emotioneel van aard—zijn hersenen waren niet ernstig aangetast.

151:6.5

Jezus zag neer op de man die als een dier aan zijn voeten kroop, boog zich naar hem over, vatte hem bij de hand, deed hem opstaan en sprak tot hem: ‘Amos, je bent niet bezeten door een duivel; je hebt het goede nieuws al gehoord dat je een zoon van God bent. Ik beveel je om uit deze aanval te komen.’ Toen Amos Jezus deze woorden hoorde uitspreken, trad er zulk een transformatie in zijn denken op, dat hij ogenblikkelijk weer bij zijn verstand was en de normale beheersing van zijn gevoelens herkreeg. Tegen deze tijd had zich een behoorlijke hoeveelheid mensen uit het nabijgelegen dorp om hen heen verzameld, waarbij zich ook de zwijnenhoeders van de hoger gelegen hellingen voegden, en allen waren verbaasd de krankzinnige bij Jezus en diens volgelingen te zien zitten, in het bezit van zijn volle verstand en vrijelijk met hen sprekend.

151:6.6

Terwijl de zwijnenhoeders het dorp in renden om het nieuws van het temmen van de krankzinnige te verspreiden, vielen de honden een kleine kudde aan van ongeveer dertig zwijnen die nu zonder herder waren, en joegen de meeste daarvan over de steile rotswand het meer in. En deze bijkomende gebeurtenis in verband met de aanwezigheid van Jezus en de vermeende wonderbaarlijke genezing van de krankzinnige, deed de legende ontstaan dat Jezus Amos had genezen door een legioen duivels bij hem uit te drijven, en dat deze duivels in de kudde zwijnen gevaren waren, waardoor deze zich meteen halsoverkop beneden in het meer hadden gestort, waar zij waren omgekomen. Voordat de dag voorbij was, werd dit voorval door de zwijnenhoeders rondverteld en het hele dorp geloofde het. Amos geloofde deze geschiedenis zeer zeker; hij zag de zwijnen over de rand van de berg storten kort nadat zijn verwarde geest tot rust was gekomen, en hij bleef er altijd van overtuigd dat de zwijnen toen de boze geesten in zich droegen die hem zo lang hadden gekweld. Dit was dan ook van grote invloed op de blijvende aard van zijn genezing. Het is evenzeer waar dat alle apostelen van Jezus (behalve Tomas) geloofden dat het voorval met de zwijnen in rechtstreeks verband stond met de genezing van Amos.

151:6.7

Jezus kreeg niet de rust die hij had gezocht. Het grootste deel van de dag verdrongen zich mensen om hem die gehoord hadden dat Amos was genezen, en die afkwamen op het verhaal dat de demonen uit de krankzinnige in de kudde zwijnen waren gevaren. En zo gebeurde het dat na slechts één nacht rust, Jezus en zijn vrienden dinsdagochtend vroeg gewekt werden door een afvaardiging van deze niet-Joodse zwijnenfokkers, die hem dringend kwam verzoeken uit hun midden te vertrekken. Hun woordvoerder zei tegen Petrus en Andreas: ‘Vissers uit Galilea, vertrek van hier en neem uw profeet met u mee. Wij weten dat hij een heilige is, maar de goden van ons land kennen hem niet, en wij lopen gevaar vele zwijnen te verliezen. De vrees voor u heeft ons bevangen en daarom smeken wij u van hier te gaan.’ En toen Jezus hen dit hoorde zeggen, zei hij tot Andreas, ‘Laten we naar Betsaïda terugkeren.’

151:6.8

Toen ze op het punt stonden te vertrekken, smeekte Amos Jezus hem toe te staan met hen terug te gaan, maar de Meester wilde hier niet in toestemmen. Jezus zei tot Amos: ‘Vergeet niet dat je een zoon van God bent. Keer terug naar je eigen mensen en toon hun welke grote dingen God voor je gedaan heeft.’ En Amos trok rond en verhaalde overal dat Jezus een legioen duivels uit zijn geplaagde ziel had uitgedreven en dat deze boze geesten in een kudde zwijnen waren gevaren, hun snelle ondergang tegemoet. En hij hield daarmee niet op voordat hij naar alle steden van de Dekapolis was geweest en daar verkondigd had welke grote dingen Jezus voor hem had gedaan.


◄ Verhandeling 150
Bovenkant
Verhandeling 152 ►
Het Urantia Boek

Nederlandse vertaling © Stichting Urantia. Alle rechten voorbehouden.