◄ 134:7
Verhandeling 134
134:9 ►

De overgangsjaren

8. Het verblijf op de berg Hermon

134:8.1

Nadat hij enige tijd in de omgeving van Caesarea Filippi had doorgebracht, sloeg Jezus voorraden in, verschafte zich een lastdier, nam een jongen, Tiglat genaamd, in dienst en trok over de weg naar Damascus naar een dorp dat vroeger Bet-Jen genoemd werd, in de heuvels aan de voet van de berg Hermon. Hier maakte hij half augustus a.d. 25 kwartier, liet zijn voorraden onder de hoede van Tiglat achter en besteeg de eenzame hellingen van de berg. Tiglat liep deze eerste dag met Jezus de berg op tot een afgesproken punt, op ongeveer tweeduizend meter, waar ze een bergplaats van stenen bouwden, en hier moest Tiglat tweemaal per week voedsel neerleggen.

134:8.2

Nadat hij Tiglat had achtergelaten, had Jezus die eerste dag de berg slechts een eindweegs verder beklommen, toen hij stilhield om te bidden. Ondermeer vroeg hij zijn Vader om de serafijnse beschermer terug te zenden om ‘bij Tiglat te zijn.’ Hij vroeg toestemming om alleen op te gaan naar zijn laatste worsteling met de werkelijkheden van het sterfelijke bestaan. Zijn verzoek werd ingewilligd. Hij ging de grote verzoeking in met alleen zijn inwonende Richter om hem te leiden en te ondersteunen.

134:8.3

Jezus at gedurende zijn verblijf op de berg sober: hij onthield zich alleen maar een dag of twee achtereen van alle voedsel. De bovenmenselijke wezens tegenover wie hij op deze berg kwam te staan, met wie hij in de geest worstelde en die hij overwon in macht, waren werkelijk: het waren zijn aartsvijanden in het stelsel Satania. Het waren geen fantomen van de verbeelding, ontstaan uit de gedachtenspinsels van een verzwakte, verhongerende sterveling die het verschil niet kon zien tussen de werkelijkheid en de visioenen van een verward bewustzijn.

134:8.4

Jezus bracht de laatste drie weken van augustus en de eerste drie weken van september op de berg Hermon door. In deze weken volbracht hij zijn opgave als sterveling, het doorlopen van de cirkels van bewustzijnsbegrip en persoonlijkheidsbeheersing. Gedurende deze gehele periode van gemeenschap met zijn hemelse Vader volbracht de inwonende Richter eveneens de hem opgedragen diensten. Zijn doel als sterveling werd door dit aardse schepsel daar bereikt. Alleen de laatste fase van de onderlinge afstemming van het bewustzijn en de Richter moest nog worden voltooid.

134:8.5

Na meer dan vijf weken ononderbroken gemeenschap met zijn Paradijs-Vader, raakte Jezus absoluut verzekerd van zijn natuur en van de stelligheid van zijn triomf over de materiële niveaus van persoonlijkheidsmanifestatie in tijd en ruimte. Hij geloofde ten volle in het overwicht van zijn goddelijke natuur over zijn menselijke natuur en aarzelde niet dit te verdedigen.

134:8.6

Kort voor het einde van het verblijf op de berg vroeg Jezus zijn Vader of hem toegestaan kon worden met zijn vijanden uit Satania te beraadslagen als de Zoon des Mensen, als Joshua ben Josef. Dit verzoek werd toegestaan. Tijdens de laatste week op de berg Hermon vond de grote verzoeking, de universum-beproeving plaats. Satan (die Lucifer vertegenwoordigde) en de rebellerende Planetaire Vorst, Caligastia, waren in Jezus’ tegenwoordigheid en werden volledig zichtbaar gemaakt voor hem. En deze ‘verzoeking,’ deze laatste beproeving van zijn menselijke loyaliteit tegenover de valse voorstelling van zaken van rebellerende persoonlijkheden, had niets te maken met voedsel, tempel-tinnen, of overmoedige daden. Zij had niets te maken met de koninkrijken van deze wereld, maar met de soevereiniteit over een machtig, roemrijk universum. De symboliek in uw geschriften was bedoeld voor het onderontwikkelde, kinderlijke denken van de wereld van die tijd. Latere generaties zouden dan ook moeten begrijpen welk een grote worsteling de Zoon des Mensen doorstond tijdens die gedenkwaardige dag op de berg Hermon.

134:8.7

Op de vele voorstellen en tegenvoorstellen van de gezanten van Lucifer antwoordde Jezus slechts: ‘Moge de wil van mijn Vader in het Paradijs zegevieren, en mogen de Ouden der Dagen u, mijn opstandige zoon, op goddelijke wijze oordelen. Ik ben uw Schepper-vader; ik kan u moeilijk rechtvaardig oordelen, en mijn barmhartigheid hebt ge reeds versmaad. Ik draag u ter berechting over aan de Rechters van een groter universum.’

134:8.8

Op alle compromissen en bedenksels die namens Lucifer werden voorgesteld, op al zulke schijnbaar schone en juiste voorstellen met betrekking tot zijn zelfschenking in het vlees, gaf Jezus slechts ten antwoord: ‘De wil van mijn Vader in het Paradijs geschiede.’ En toen de zware beproeving ten einde was, keerde de weggezonden serafijnse beschermer terug aan Jezus’ zijde en verleende hem bijstand.

134:8.9

Op een namiddag in de nazomer, onder de bomen en in de stilte der natuur, verwierf Michael van Nebadon de onbetwiste soevereiniteit over zijn universum. Die dag voltooide hij de taak die alle Schepper-Zonen wordt gesteld, namelijk om het geïncarneerde leven als sterveling op de evolutionaire werelden in tijd en ruimte ten volle te leven. Deze gewichtige gebeurtenis werd pas maanden later, op de dag van zijn doop, aan het universum bekendgemaakt, maar alles vond in werkelijkheid plaats op deze dag op de berg. Toen Jezus na dit verblijf de berg Hermon afdaalde, waren de opstand van Lucifer in Satania en de afscheiding van Caligastia op Urantia in feite beslecht. Jezus had de laatste prijs betaald die van hem werd gevraagd om de soevereiniteit over zijn universum te verkrijgen, en deze soevereiniteit reguleert in zichzelf de status van alle rebellen en bepaalt bovendien dat al zulke opstanden in de toekomst (indien zij ooit zouden voorkomen) kort en krachtig kunnen worden afgedaan. Hieruit kan men zien dat de ‘grote verzoeking’ van Jezus enige tijd vóór zijn doop plaatsvond, en niet vlak na deze gebeurtenis.

134:8.10

Toen Jezus aan het einde van zijn verblijf de berg afdaalde, kwam hij Tiglat tegen, die met voedsel naar boven kwam naar de afgesproken plaats. Hij beduidde hem terug te gaan en zei alleen: ‘De rustperiode is voorbij; ik moet weer aan het werk voor mijn Vader.’ Hij was zwijgzaam en sterk veranderd toen zij terugkeerden naar Dan, waar hij afscheid nam van de jongen en hem de ezel gaf. Daarna ging hij in zuidelijke richting verder naar Kafarnaüm, langs dezelfde weg die hij gekomen was.


◄ 134:7
 
134:9 ►