◄ 132:6
Verhandeling 132
133:0 ►

Het verblijf te Rome

7. Tochten van uit Rome

132:7.1

Jezus, Gonod en Ganid maakten vijf tochten vanuit Rome naar bezienswaardige plaatsen in de omliggende streken. Tijdens hun bezoek aan de Italiaanse meren in het noorden had Jezus het lange gesprek met Ganid over de onmogelijkheid om iemand te onderrichten aangaande God, indien die mens niet het verlangen koestert om God te kennen. Ze hadden toevallig een onnadenkend levende heiden ontmoet op hun reis naar de meren, en Ganid was verrast dat Jezus niet zoals gewoonlijk een gesprek met de man aanknoopte, dat op natuurlijke wijze tot een gesprek over geestelijke zaken zou hebben geleid. Toen Ganid zijn leraar vroeg waarom hij zo weinig belangstelling aan de dag legde voor deze heiden, antwoordde Jezus:

132:7.2

‘Ganid, deze man hongerde niet naar waarheid. Hij was niet ontevreden met zichzelf. Hij was niet bereid hulp te vragen en de ogen van zijn bewustzijn waren niet open, zodat zij geen licht voor zijn ziel konden opvangen. Die man was niet rijp voor de oogst van het heil; hij moet meer tijd krijgen zodat hij door de beproevingen en moeilijkheden des levens kan worden voorbereid op de ontvangst van wijsheid en hoger onderricht. Anderzijds zouden wij hem, indien we hem met ons konden doen samenleven, door ons leven de Vader in de hemel kunnen laten zien, en zou hij zo worden aangetrokken door ons leven als zonen van God, dat hij zich wel gedrongen zou voelen om te informeren naar onze Vader. Je kunt God niet openbaren aan hen die niet naar hem zoeken; je kunt geen onwillige zielen binnenleiden in de vreugden van het heil. Een mens moet gaan hongeren naar waarheid ten gevolge van zijn ervaringen in het leven, of hij moet gaan verlangen God te leren kennen doordat hij in aanraking komt met de levens van hen die de goddelijke Vader wel kennen, voordat een ander mens het instrument kan worden om deze medesterveling tot de Vader in de hemel te leiden. Indien wij God kennen, is het onze werkelijke taak op aarde om zo te leven, dat het de Vader wordt toegestaan zich in ons leven te openbaren, en zo zullen alle mensen die op zoek zijn naar God, de Vader zien en ons om hulp vragen om meer te weten te komen over de God die op deze wijze uitdrukking vindt in ons leven.’

132:7.3

Toen zij hoog in de bergen in Zwitserland waren, sprak Jezus een dag lang met de vader en de zoon beiden over het Boeddhisme. Al vele malen had Ganid Jezus rechtstreekse vragen gesteld over Boeddha, maar steeds had hij min of meer ontwijkende antwoorden gekregen. Nu stelde de vader, in aanwezigheid van zijn zoon, Jezus een rechtstreekse vraag over Boeddha, en hij kreeg een rechtstreeks antwoord. Gonod zei: ‘Ik zou werkelijk graag willen weten hoe ge over Boeddha denkt.’ En Jezus antwoordde:

132:7.4

‘Uw Boeddha was veel beter dan uw Boeddhisme. Boeddha was een groot man, een profeet zelfs voor zijn volk, maar hij was een verweesd profeet; hiermee bedoel ik dat hij al vroeg zijn geestelijke Vader, de Vader in de hemel, uit het oog had verloren. Zijn ervaring was tragisch. Hij probeerde te leven en te onderrichten als een boodschapper van God, maar zonder God. Boeddha loodste zijn schip van verlossing rechtstreeks naar de veilige haven, rechtstreeks tot aan de ingang van de haven waar de sterveling verlossing wacht, maar daar liep het goede schip aan de grond door foutieve navigatiekaarten. En daar is het vele generaties lang tot op heden toe blijven vastzitten, onbeweeglijk en bijna hopeloos gestrand. Op dit schip zijn velen van uw volk al deze jaren blijven zitten. Ze leven binnen het bereik van de veilige wateren der rust, maar ze weigeren deze in te gaan, omdat het edele schip van de goede Boeddha het ongeluk had om net buiten de haven aan de grond te lopen. En de Boeddhistische volkeren zullen deze haven nooit binnenlopen, tenzij zij het filosofische vaartuig van hun profeet verlaten en zich meester maken van zijn edele geest. Indien uw volk trouw was gebleven aan de geest van Boeddha, zoudt ge reeds lang de haven zijn binnengelopen van geestelijke kalmte, zielerust en de verzekerdheid van verlossing.

132:7.5

‘Ziet ge, Gonod, Boeddha kende God in de geest, maar ontdekte hem niet duidelijk in zijn denken; de Joden ontdekten God in het denken, maar kenden hem voor het merendeel niet in de geest. Heden ten dage draaien de Boeddhisten rond in een filosofie zonder God, terwijl mijn volk jammerlijk geknecht is door de vrees voor een God, zonder een reddende filosofie van het leven en van vrijheid. Gij hebt een filosofie zonder God; de Joden hebben een God, maar voor het merendeel geen filosofie over het leven in verband met deze kennis. Omdat Boeddha God niet als geest en als Vader zag, heeft hij met zijn onderricht niet de morele energie en geestelijke stuwkracht verschaft, die een religie moet bezitten om een volk te kunnen veranderen en een natie te kunnen verheffen.’

132:7.6

Toen riep Ganid uit: ‘Leraar, laten wij samen een nieuwe religie maken, een religie die goed genoeg is voor India en groot genoeg voor Rome, en misschien kunnen we die dan aan de Joden verkopen in ruil voor Jahweh.’ En Jezus antwoordde: ‘Ganid, religies worden niet gemaakt. De religies der mensen komen in lange tijdsperioden tot wasdom, terwijl de openbaringen van God opvlammen op aarde in de levens van de mensen die God openbaren aan hun medemensen.’ Maar de betekenis van deze profetische woorden begrepen zij niet.

132:7.7

Toen zij zich te ruste hadden begeven die nacht, kon Ganid niet slapen. Hij bleef lang met zijn vader praten en zei ten slotte: ‘Weet ge, vader, soms denk ik dat Joshua een profeet is.’ En zijn vader antwoordde alleen, half in slaap: ‘Mijn zoon, er zijn anderen...’

132:7.8

Van deze dag af bleef Ganid gedurende de rest van zijn natuurlijke leven een eigen religie ontwikkelen. Hij werd in zijn eigen denken zeer sterk beïnvloed door de ruimdenkendheid, fairheid en verdraagzaamheid van Jezus. In al hun discussies over filosofie en religie ondervond deze jongeman nooit gevoelens van wrevel of reacties van verzet.

132:7.9

Welk een tafereel aanschouwden hier de hemelse verstandelijke wezens, dit schouwspel van de jongen uit India die aan de Schepper van een universum voorstelde een nieuwe religie te maken! En ofschoon de jongeman dit niet wist, waren zij daar en op dat moment bezig een nieuwe, eeuwigdurende religie te maken: de nieuwe weg des heils, deze openbaring van God aan de mens door en in Jezus. Dat wat de jongen het liefste wilde doen, was hij onbewust daadwerkelijk reeds aan het doen. En zo was en is het immer. Dat wat de verlichte, reflectieve verbeeldingskracht die geestelijk wordt onderricht en geleid, van ganser harte en onbaatzuchtig wil doen en zijn, wordt meetbaar creatief overeenkomstig de mate waarin de sterveling zich wijdt aan het goddelijke doen van de wil van de Vader. Wanneer de mens een partnerschap met God aangaat, kunnen er grootse dingen gebeuren, en gebeuren die ook.


◄ 132:6
 
Verhandeling 133 ►
 

Nederlandse vertaling © Stichting Urantia. Alle rechten voorbehouden.