◄ 127:0
Verhandeling 127
127:2 ►

De jongelingsjaren

1. Het zestiende jaar (A.D. 10)

127:1.1

De geïncarneerde Zoon maakte de prille kleuterjaren door en had rustige kinderjaren. De test van het veeleisende overgangsstadium tussen de kinderjaren en de leeftijd van jonge man doorstond hij vervolgens goed—hij werd de adolescent Jezus.

127:1.2

Dit jaar werd hij lichamelijk volwassen. Hij was een mannelijke, knappe jongeman. Hij werd steeds rustiger en ernstiger, maar hij was vriendelijk en meelevend. Zijn blik was vriendelijk, maar vorsend. Zijn glimlach was altijd innemend en geruststellend. Zijn stem was muzikaal maar had een toon van gezag, zijn groet was hartelijk maar ongekunsteld. Altijd, zelfs in de allergewoonste contacten, leek er iets van zijn tweevoudige natuur, de menselijke en de goddelijke, zichtbaar te zijn. Hij vertoonde steeds deze combinatie van de trekken van een meevoelende vriend en van de gezaghebbende leraar. Deze trekken van zijn persoonlijkheid traden al vroeg aan de dag, zelfs al in deze jaren van zijn adolescentie.

127:1.3

Deze lichamelijk sterke, krachtig gebouwde jongeling bereikte ook de volwassenheid van zijn menselijke verstand, niet de volle omvang van het menselijk denken, maar wel de volle capaciteit tot zulk een verstandelijke ontwikkeling. Hij had een gezond, goed geproportioneerd lichaam, een scherp, analytisch verstand, een vriendelijke en meevoelende aard, een enigszins veranderlijk, maar extrovert temperament, en dit alles bundelde zich samen tot een sterke, opvallende en aantrekkelijke persoonlijkheid.

127:1.4

Gaandeweg werd het voor zijn moeder en zijn broers en zusjes steeds moeilijker hem te begrijpen; zij vielen over zijn woorden en gaven een verkeerde uitleg aan zijn doen en laten. Geen van allen waren zij in staat het leven van hun oudste broer te begrijpen, omdat hun moeder hun te verstaan had gegeven dat hij voorbestemd was de bevrijder van het Joodse volk te worden. Waar Maria hun dergelijke mededelingen als familiegeheimen had toevertrouwd, kunt ge u wellicht indenken hoe het hen verwarde wanneer Jezus al deze ideeën en bedoelingen openlijk ontkende.

127:1.5

Dit jaar ging Simon voor het eerst naar school, en zij zagen zich genoodzaakt opnieuw een huis te verkopen. Jakobus nam nu het onderwijs aan zijn drie zusjes op zich, waarvan er twee oud genoeg waren om serieus met het leren te beginnen. Zodra Ruth groot genoeg was, kreeg zij onderwijs van Mirjam en Marta. Gewoonlijk werd in Joodse gezinnen aan de opvoeding van meisjes maar weinig gedaan, maar Jezus stond erop (en zijn moeder was het daarmee eens) dat meisjes evengoed naar school moesten als jongens, en omdat de school van de synagoge hen niet wilde toelaten, zat er niets anders op dan hen thuis onderwijs te geven dat speciaal op hen was ingesteld.

127:1.6

Dit hele jaar werd Jezus geheel in beslag genomen door zijn timmermanswerk aan de werkbank. Gelukkig had hij werk in overvloed: wat hij maakte was van zo’n uitstekende kwaliteit dat hij altijd iets te doen had, hoe weinig werk er in die streek ook was. Soms had hij zoveel te doen, dat Jakobus hem kwam helpen.

127:1.7

Tegen het einde van het jaar was hij nagenoeg besloten om als hij zijn familie had grootgebracht en iedereen was getrouwd, zijn optreden in het openbaar te beginnen als leraar van waarheid en als openbaarder van de Vader in de hemel aan de wereld. Hij wist dat hij niet de verwachte Joodse Messias zou worden, en hij kwam tot de conclusie dat het vrijwel nutteloos zou zijn deze zaken met zijn moeder te bespreken; hij besloot haar maar haar eigen ideeën erop na te laten houden, want alles wat hij in het verleden had gezegd, had weinig of geen indruk op haar gemaakt, en hij herinnerde zich dat zijn vader er ook nooit in slaagde iets te zeggen waardoor zij van gedachten veranderde. Vanaf dit jaar sprak hij steeds minder met zijn moeder, of wie dan ook, over deze problemen. Zijn missie was van zulk een uitzonderlijke aard, dat geen levend wezen op aard hem kon raden hoe haar te volbrengen.

127:1.8

Hij was een echte ofschoon nog jeugdige vader voor het gezin: hij bracht ieder vrij uurtje met de kinderen door en zij hielden echt van hem. Het deed zijn moeder verdriet dat hij zo hard moest werken; zij betreurde het dat hij dag in dag uit aan de timmermanswerkbank moest zwoegen om de kost te verdienen voor het gezin, in plaats van in Jeruzalem te studeren bij de rabbi’s, zoals zij zo graag hadden gezien. Hoewel Maria vele dingen van haar zoon niet kon begrijpen, had ze hem zeer lief en was vol oprechte waardering voor de gewilligheid waarmee hij de verantwoordelijkheid voor het gezin droeg.


◄ 127:0
 
127:2 ►