◄ 126:2
Verhandeling 126
126:4 ►

De twee cruciale jaren

3. Het vijftiende Jjar (A.D. 9)

126:3.1

Halverwege zijn vijftiende jaar—en wij rekenen de tijd in kalenderjaren van de twintigste eeuw, niet volgens het Joodse jaar—had Jezus het bestier van het gezin stevig in handen. Voor het eind van dit jaar waren ze bijna door hun spaargeld heen, en zagen ze zich genoodzaakt een van de huizen in Nazaret, die het gezamenlijke eigendom van Jozef en zijn buurman Jakob waren, van de hand te doen.

126:3.2

Op woensdagavond, 17 april van het jaar 9 n.Chr., werd Ruth, de baby van de familie geboren, en Jezus trachtte zo goed als hij kon de plaats van zijn vader in te nemen bij het troosten en helpen van zijn moeder gedurende deze zware en bijzonder verdrietige beproeving. Geen vader zou meer van zijn dochter hebben kunnen houden en haar beter hebben kunnen verzorgen dan Jezus: bijna twintig jaar lang (tot aan het begin van zijn openbaar optreden) zorgde hij liefdevol en trouw voor de kleine Ruth. En hij was een even goede vader voor alle andere leden van zijn gezin.

126:3.3

In de loop van dit jaar formuleerde Jezus voor de eerste maal het gebed dat hij later aan zijn apostelen leerde, en dat velen hebben leren kennen als ‘Het Gebed des Heren.’ Tot op zekere hoogte was dit een evolutie van het familie-altaar; zij kenden vele vormen van dankzegging en verscheidene vaste gebeden. Na de dood van zijn vader probeerde Jezus de oudere kinderen te leren zich individueel uit te drukken in het gebed—ongeveer zoals hijzelf dat zo graag deed—maar zij konden zijn gedachtengang niet volgen en vielen steeds weer terug op hun uit het hoofd geleerde gebedsformules. Bij deze pogingen om zijn oudste broertjes en zusjes tot individueel gebed te stimuleren, trachtte Jezus hen op weg te brengen door middel van suggestieve zinnen, en kort daarna, en zonder dat Jezus dit zo bedoeld had, gebeurde het dat zij allen een gebedsvorm gebruikten die grotendeels was opgebouwd uit deze suggestieve regels die Jezus hun had geleerd.

126:3.4

Ten slotte liet Jezus de gedachte varen om ieder lid van het gezin spontane gebeden onder woorden te laten brengen, en op een avond in oktober zette hij zich bij het platte olielampje dat op de lage stenen tafel stond, en schreef op een glad cederhouten plankje, ongeveer veertig centimeter in het vierkant, met een stukje houtskool het gebed neer dat vanaf dat ogenblik de vaste familiebede werd.

126:3.5

Dit jaar had Jezus veel last van verwarde gedachten. Zijn verantwoordelijkheid jegens zijn familie had doeltreffend iedere gedachte verdreven dat hij onmiddellijk een plan moest uitvoeren om gehoor te geven aan de visitatie in Jeruzalem waarbij hem was gezegd ‘aan het werk te gaan voor zijn Vader.’ Jezus oordeelde terecht dat de zorg voor het gezin van zijn aardse vader voorrang moest hebben boven alle andere plichten: dat het ondersteunen van zijn familie zijn allereerste plicht moest zijn.

126:3.6

In de loop van dit jaar vond Jezus een passage in het zogeheten Boek van Henoch die van invloed was op zijn latere gebruik van de term ‘Zoon des Mensen’ ter aanduiding van zijn zelfschenkingsmissie op Urantia. Hij had de idee van de Joodse Messias grondig overwogen en was er vast van overtuigd geraakt dat hij niet die Messias zou zijn. Hij verlangde ernaar het volk van zijn vader te helpen, doch hij verwachtte geenszins dat hij ooit Joodse legers zou aanvoeren om de vreemde overheersing van Palestina omver te werpen. Hij wist dat hij nooit op de troon van David in Jeruzalem zou zitten. Ook geloofde hij niet dat zijn missie daaruit zou bestaan dat hij uitsluitend voor het Joodse volk een geestelijk bevrijder of zedenleraar zou zijn. Zijn levenstaak kon daarom in geen enkel opzicht de vervulling zijn van het inten- se verlangen en de vermeende Messiaanse profetieën in de Joodse geschriften; althans niet zoals de Joden deze voorzeggingen van de profeten opvatten. Evenzo was hij er zeker van dat hij nooit zou optreden als de Zoon des Mensen zoals deze door de Profeet Daniël was beschreven.

126:3.7

Maar wanneer de tijd voor hem zou komen om als wereldleraar op te treden, hoe moest hij zichzelf dan noemen? Welke aanspraak moest hij maken met betrekking tot zijn zending? Hoe zouden de mensen die in zijn onderricht zouden geloven, hem noemen?

126:3.8

Terwijl hij al deze problemen in zich liet omgaan, vond hij in de bibliotheek van de synagoge in Nazaret, tussen de apocalyptische boeken die hij had bestudeerd, dit handschrift dat ‘Het Boek van Henoch’ genoemd werd; en ofschoon hij er zeker van was dat het niet geschreven was door de Henoch van voorheen, boeide het hem zeer en hij las en herlas het vele malen. Er was één passage die in het bijzonder indruk op hem maakte, een passage waarin de uitdrukking ‘Zoon des Mensen’ voorkwam. De schrijver van dit zogeheten Boek van Henoch verhaalde verder over deze Zoon des Mensen, beschreef het werk dat hij op aarde zou verrichten en legde uit dat deze Zoon des Mensen, alvorens hij op aarde neerdaalde om de mensheid verlossing te brengen, door de hoven der hemelse glorie had gewandeld met zijn Vader, de Vader van allen; en dat hij al deze grootsheid en glorie de rug had toegekeerd om neer te dalen op aarde om verlossing te verkondigen aan noodlijdende stervelingen. Terwijl Jezus deze passages las (waarbij hij terdege begreep dat veel van de Oosterse mystiek die vermengd was met deze leringen op dwaling berustte), vonden zij weerklank in zijn hart en zag hij in dat van alle Messiaanse voorzeggingen in de Hebreeuwse geschriften en van alle theorieën aangaande de Joodse bevrijder, geen zo dicht bij de waarheid kwam als dit verhaal, dat weggestopt zat in dit slechts ten dele geloofwaardige Boek van Henoch; en ter plekke besloot hij toen om bij de aanvang van zijn werk de titel ‘ Zoon des Mensen’ aan te nemen. En hij deed dit inderdaad toen hij aan zijn werk in het openbaar begon. Jezus had een onfeilbaar vermogen om waarheid te herkennen, en hij aarzelde nooit om waarheid in zich op te nemen, onverschillig uit welke bron zij leek voort te komen.

126:3.9

Inmiddels had hij vele zaken die met zijn aanstaande werk voor de wereld te maken hadden, zeer grondig bekeken en er zijn standpunt over bepaald, maar hij zei niets hierover aan zijn moeder, die nog steeds onwrikbaar vasthield aan de gedachte dat hij de Joodse Messias was.

126:3.10

De grote verwarring van Jezus’ jonge jaren deed zich thans voor. Nu hij voor zichzelf het een en ander beslist had aangaande de aard van zijn zending op aarde, ‘het behartigen van de zaken van zijn Vader’—de liefdevolle natuur van zijn Vader aan de ganse mensheid te laten zien—begon hij opnieuw de vele uitspraken in de Schrift te overpeinzen die handelden over de komst van een nationale bevrijder, een Joodse leraar of koning. Naar welke gebeurtenis verwezen deze profetieën? Hij was toch een Jood ? Of niet ? Behoorde hij tot het huis van David of niet? Zijn moeder beweerde van wel; zijn vader had uitgemaakt dat dit niet het geval was. Hij besliste dat hij er niet toe behoorde. Maar hadden de profeten de natuur en de missie van de Messias dan door elkaar gehaald?

126:3.11

Was het per slot van rekening mogelijk dat zijn moeder gelijk had? Wanneer er zich in het verleden verschil van inzicht had voorgedaan, had zij meestal gelijk. Indien hij een nieuwe leraar zou zijn en niet de Messias, hoe zou hij dan de Joodse Messias herkennen indien zo iemand in Jeruzalem zou verschijnen ten tijde van zijn zending op aarde? En wat zou dan zijn verhouding zijn tot deze Joodse Messias? En wat zou zijn verhouding tot zijn familie moeten zijn wanneer hij aan zijn levensmissie zou zijn begonnen? En tot de Joodse gemeenschap en de Joodse godsdienst? En tot het Romeinse Rijk? En tot de niet-Joden en hun religies? Elk van deze gewichtige problemen overwoog en overdacht deze jonge Galileër ernstig terwijl hij aan het werk was aan de timmermanswerkbank en met moeite de kost verdiende voor zichzelf, zijn moeder en acht andere hongerige monden.

126:3.12

Voor het einde van dit jaar zag Maria hoe de geldmiddelen van de familie terugliepen. Zij droeg de verkoop van duiven over aan Jakobus. Kort daarop kochten zij een tweede koe en met behulp van Mirjam begonnen zij de melk te verkopen aan hun buren in Nazaret.

126:3.13

Jezus’ perioden van diepe overpeinzingen, zijn veelvuldige tochten naar de top van de heuvel om te bidden en de vele vreemde ideeën die hij van tijd tot tijd te berde bracht, verontrustten zijn moeder hevig. Soms dacht zij dat de jongen buiten zichzelf was, maar dan bracht zij haar angsten weer tot bedaren door te bedenken dat hij per slot van rekening een kind der belofte was en in bepaalde opzichten anders dan andere jongelingen.

126:3.14

Maar Jezus leerde intussen niet al zijn gedachten te uiten, niet al zijn ideeën wereldkundig te maken, zelfs niet aan zijn eigen moeder. Vanaf dit jaar vertelde Jezus steeds minder over wat er in zijn bewustzijn omging; dat wil zeggen, hij sprak minder over zaken die de gemiddelde mens niet kon vatten en die ertoe zouden leiden dat hij als eigenaardig of anders dan anderen beschouwd zou worden. Naar het zich liet aanzien, werd hij gewoon en conventioneel, ofschoon hij wel degelijk naar iemand verlangde die zijn problemen kon begrijpen. Hij verlangde vurig naar een betrouwbare, vertrouwde vriend, maar zijn problemen waren voor de mensen met wie hij omging te gecompliceerd om te begrijpen. Het unieke van de ongewone situatie dwong hem ertoe zijn last alleen te dragen.


◄ 126:2
 
126:4 ►