◄ 121:1
Verhandeling 121
121:3 ►

De tijd van de zelfschenking van Michael

2. Het Joodse volk

121:2.1

De Joden maakten deel uit van het oudere Semitische ras, waartoe ook de Babyloniërs, de Feniciërs, en de recentere vijanden van Rome, de Carthagers, behoorden. Gedurende de eerste helft van de eerste eeuw na Christus waren de Joden de invloedrijkste groep onder de Semitische volkeren en zij namen toevallig een geografische positie in die van bijzonder strategisch belang was in de wereld zoals die toen geregeerd werd en georganiseerd was voor de handel.

121:2.2

Veel van de grote verkeerswegen die de naties uit de oudheid verbonden, liepen door Palestina, dat daardoor het trefpunt, of kruispunt, van drie continenten werd. De reizigers, handelaren, en legers van Babylonië, Assyrië, Egypte, Syrië, Griekenland, Parthië en Rome trokken achtereenvolgens in groten getale door Palestina. Sinds onheuglijke tijden liepen vele karavaanwegen uit het Oosten door delen van deze streek naar de weinige goede zeehavens aan de oostkust van de Middellandse Zee, vanwaar schepen hun lading naar het hele maritieme Westen vervoerden. En meer dan de helft van dit karavaanverkeer kwam door of langs het kleine stadje Nazaret in Galilea.

121:2.3

Hoewel Palestina het thuisland was van de Joodse religieuze cultuur en het geboorteland van het Christendom, waren er overal in de wereld Joden te vinden die onder vele volken woonden en handel dreven in iedere provincie van de Romeinse en Parthische staten.

121:2.4

Griekenland leverde een taal en een cultuur, Rome legde de wegen aan en verenigde het wereldrijk, maar de verspreiding der Joden, met hun meer dan tweehonderd synagogen en goed georganiseerde godsdienstige gemeenschappen her en der in de gehele Romeinse wereld, leverde de culturele centra waarin het nieuwe evangelie aanvankelijk werd ontvangen, en waarvandaan het zich vervolgens verbreidde naar de verste uithoeken der aarde.

121:2.5

Iedere Joodse synagoge tolereerde een aanhang van niet-Joodse gelovigen, ‘vrome’ of ‘Godvrezende’ mensen, en onder deze aanhang van proselieten nu oogstte Paulus het merendeel van zijn eerste bekeerlingen tot het Christendom. Zelfs de tempel te Jeruzalem bezat een eigen fraaie voorhof voor de niet-Joden. Er bestond een zeer nauw verband tussen de cultuur, de handel en de eredienst van Jeruzalem en Antiochië. In Antiochië werden de discipelen van Paulus voor het eerst ‘Christenen’ genoemd.

121:2.6

Het feit dat de Joodse tempeldienst in Jeruzalem was gecentraliseerd, vormde het geheim van het overleven van hun monotheïsme en droeg tevens de belofte in zich dat een nieuw en wijder begrip van die ene God van alle naties en Vader van alle stervelingen daar gekoesterd en vandaar in de wereld gezonden zou worden. De tempeldienst te Jeruzalem betekende het overleven van een religieus cultureel denkbeeld, in weerwil van de ondergang van een reeks heidense overheersers van het volk en vervolgers van het ras.

121:2.7

Ofschoon het Joodse volk toentertijd onder Romeinse suzereiniteit verkeerde, genoot het een aanzienlijke mate van zelfbestuur, en met de toen nog recente heldhaftige bevrijdingsstrijd van Judas Maccabeüs en zijn directe opvolgers nog vers in het geheugen, leefde het volk in gespannen verwachting van de onmiddellijke verschijning van een nog grotere verlosser, de lang verwachte Messias.

121:2.8

Het geheim van het voortbestaan van Palestina, het koninkrijk der Joden, als een semi-onafhankelijke staat, was ten nauwste verbonden met de buitenlandse politiek van de regering in Rome, die de controle wilde behouden over Palestina als de hoofdverbinding voor het verkeer tussen Syrië en Egypte, en over de westelijke eindpunten van de karavaanroutes tussen het Oosten en het Westen. Rome wilde niet dat er enige macht in de Levant zou opstaan die haar eigen toekomstige expansie in deze streken zou kunnen indammen. De politiek van intriges, die ten doel had het Syrië der Seleuciden en het Egypte der Ptolemeën tegen elkaar op te zetten, maakte het noodzakelijk te zorgen dat Palestina als een aparte, onafhankelijke staat bleef bestaan. De Romeinse politiek, de degeneratie van Egypte, en de toenemende verzwakking van de Seleuciden ten opzichte van de rijzende macht van Parthië, vormen een verklaring voor het feit dat een kleine, over geringe macht beschikkende groep Joden verscheidene generaties lang in staat was geweest onafhankelijk te blijven zowel ten opzichte van de Seleuciden in het noorden als de Ptolemeën in het zuiden. Deze op toeval berustende vrijheid en politieke onafhankelijkheid van de omringende machtiger volken schreven de Joden toe aan het feit dat zij het ‘uitverkoren volk’ waren: aan de directe tussenkomst van Jahweh. Deze houding van raciale superioriteit maakte het voor hen des te moeilijker de Romeinse suzereiniteit te verdragen, toen deze uiteindelijk toch over hun land kwam. Maar zelfs in dat treurige uur weigerden de Joden te leren dat hun zending in de wereld van geestelijke en niet van politieke aard was.

121:2.9

De Joden waren ten tijde van Jezus ongewoon ongerust en wantrouwend, daar ze toen geregeerd werden door een buitenstaander, Herodes de Idumeeër, die opperheer over Judea was geworden doordat hij zich op handige manier van de gunst der Romeinse heersers had verzekerd. En hoewel Herodes trouw voorwendde aan de Hebreeuwse ceremoniële voorschriften, ging hij ertoe over tempels te bouwen voor vele vreemde goden.

121:2.10

De vriendschappelijke betrekkingen van Herodes met de Romeinse regeerders maakten de wereld veilig voor Joodse reizigers en maakten het mogelijk dat de Joden met het nieuwe evangelie van het koninkrijk des hemels steeds verder doordrongen naar zelfs verafgelegen delen van het Romeinse Rijk en naar buitenlandse gebieden waarmee het een verdrag had gesloten. De regering van Herodes droeg ook veel bij tot de verdere vermenging van de Hebreeuwse en Hellenistische filosofie.

121:2.11

Herodes legde de haven van Caesarea aan, hetgeen er nog meer toe bijdroeg dat Palestina het kruispunt der wegen van de beschaafde wereld werd. Hij stierf in het jaar 4 v.Chr., en zijn zoon Herodes Antipas regeerde over Galilea en Perea tijdens de jeugd en het latere optreden van Jezus, tot het jaar 39 n.Chr.. Antipas was een groot bouwer, net als zijn vader. Hij herbouwde vele steden van Galilea, waaronder het belangrijke handelscentrum Sepfo- ris.

121:2.12

Over de Galileeërs werd door de religieuze leiders en rabbijnse leraren van Jeruzalem niet erg gunstig gedacht. Galilea was meer niet-Joods dan Joods toen Jezus werd geboren.


◄ 121:1
 
121:3 ►