◄ 112:4
Verhandeling 112
112:6 ►

De overleving van persoonlijkheid

5. De overleving van het menselijke zelf

112:5.1

Zelfheid is een kosmische werkelijkheid, of zij nu materieel, morontiaal, of geestelijk is. De actualiteit van het persoonlijke is de schenking van de Universele Vader optredend in en uit zichzelf, of via zijn talrijke vertegenwoordigers in het universum. Indien gezegd wordt dat een wezen persoonlijk is, betekent dit dat de relatieve individuatie van zulk een wezen binnen het kosmische organisme wordt herkend. De levende kosmos is een haast oneindig geïntegreerde aggregatie van reële eenheden, die alle in betrekkelijke mate onderhevig zijn aan de bestemming van het geheel. Doch zij die persoonlijk zijn, zijn begiftigd met de actuele keuze om hun bestemming te aanvaarden of af te wijzen.

112:5.2

Dat wat uit de Vader voortkomt is eeuwig zoals de Vader, en dit geldt evenzeer voor persoonlijkheid, die God uit eigen vrije wil schenkt, als voor de goddelijke Gedachtenrichter, een actueel fragment van God. ’s Mensen persoonlijkheid is eeuwig, doch met betrekking tot zijn identiteit een voorwaardelijke eeuwige werkelijkheid. Daar de persoonlijkheid is verschenen in antwoord op de wil van de Vader, zal deze ook de Godheid bereiken als zijn bestemming, doch de mens moet kiezen of hij al dan niet aanwezig wil zijn bij het bereiken van deze bestemming. Indien deze keuze uitblijft, bereikt de persoonlijkheid rechtstreeks de experiëntiële Godheid, en wordt een deel van de Allerhoogste. De cyclus is tevoren verordineerd, maar ’s mensen participatie daarin is facultatief, persoonlijk en experiëntieel.

112:5.3

De identiteit van de sterveling is een voorbijgaande tijd-levenstoestand in het universum; zij is slechts werkelijk voorzover de persoonlijkheid verkiest een bestendig verschijnsel in het universum te worden. Het essentiële verschil tussen de mens en een energiesysteem is dit: het energiesysteem moet doorgaan, het heeft geen keuze; de mens heeft echter alles te maken met het bepalen van zijn eigen lot. De Richter is waarlijk de weg naar het Paradijs, doch de mens zelf moet die weg volgen door zijn eigen beslissing, zijn vrijwillige keuze.

112:5.4

Mensen bezitten slechts in materiële zin identiteit. Deze kwaliteit van het zelf worden tot uiting gebracht door het materiële bewustzijn zoals dit functioneert in het energie-systeem van het verstand. Wanneer gezegd wordt dat de mens identiteit heeft, wordt daarmee erkend dat hij een bewustzijnscircuit bezit dat ondergeschikt is gemaakt aan de daden en de keuze van de wil van de menselijke persoonlijkheid. Doch dit is een materiële, zuiver tijdelijke manifes-tatie, zoals ook het menselijke embryo een voorbijgaand parasitair stadium van het menselijk leven is. Vanuit het kosmische perspectief gezien worden mensen geboren, leven en sterven zij in een relatief ogenblik; zij zijn niet blijvend. De sterfelijke persoonlijkheid bezit echter, door de keuzen die zij zelf maakt, het vermogen om de zetel van haar identiteit te verleggen van het vergankelijke materieel-verstandelijke systeem naar het hogere morontia-zielesysteem, dat in samenwerking met de Gedachtenrichter wordt geschapen als een nieuw voertuig voor de manifestatie van de persoonlijkheid.

112:5.5

Dit vermogen om te kiezen, het universum-onderscheidingsteken van vrije wilsschepselen, biedt de mens dan ook zijn grootste mogelijkheden en vormt zijn hoogste kosmische verantwoordelijkheid. Van de integriteit van de menselijke wil hangt de eeuwige bestemming van de toekomstige volkomene af; van de oprechtheid van de vrije wil van de sterveling is de god- delijke Richter afhankelijk voor het verkrijgen van eeuwige persoonlijkheid; van de betrouwbaarheid van de sterveling in zijn keuzes is de Universele Vader afhankelijk voor de verwerkelijking van een nieuwe opklimmende zoon; van de standvastigheid en wijsheid van beslissingsdaden is de Allerhoogste afhankelijk voor de actualiteit van de experiëntiële evolutie.

112:5.6

Ofschoon de kosmische cirkelgangen der persoonlijkheidsgroei uiteindelijk bereikt moeten worden, is het zo dat indien ge buiten uw schuld, door de ongevallen in de tijd en de handicaps van het materiële bestaan, wordt verhinderd deze niveaus te bereiken op de planeet waar ge zijt geboren, en indien uw intenties en verlangens overlevingswaarde hebben, de decreten zullen worden uitgevaardigd waarbij uw proeftijd wordt verlengd. Er zal u extra tijd worden gegeven om te laten zien wie ge zijt.

112:5.7

Als er ook maar enige twijfel bestaat inzake de wenselijkheid om een menselijke identiteit naar de woningwerelden te bevorderen, besluiten de regeringen in het universum steeds in het persoonlijke belang van die individuele mens; zonder aarzeling bevorderen zij zo’n ziel tot de status van een wezen in overgang, terwijl zij intussen het wordende morontia-oogmerk en het geestelijke voornemen blijven observeren. Op deze wijze wordt de goddelijke gerechtigheid zeker verwezenlijkt en krijgt de goddelijke barmhartigheid verdere gelegenheid om haar dienstbetoon uit te breiden.

112:5.8

De regeringen van Orvonton en Nebadon maken geen aanspraak op absolute volmaaktheid in alle details van het universele plan voor de repersonalisatie van stervelingen, doch zij maken er wel aanspraak op dat zij geduld, verdraagzaamheid, begrip, en barmhartig medegevoel aan de dag leggen, hetgeen zij ook inderdaad doen. Wij nemen liever het risico van een rebellie in een stel- sel, dan dat wij de kans lopen dat ook maar één worstelende sterveling van welke evolutionaire we- reld dan ook wordt beroofd van de eeuwige vreugde van het volgen van de opklimmingsloopbaan.

112:5.9

Dit betekent niet dat mensen een tweede gelegenheid zullen krijgen indien zij de eerste hebben afgewezen, geenszins. Het betekent wèl dat alle wilsschepselen één echte gelegenheid zullen krijgen om eenmaal de ontwijfelbare, zelf-bewuste, en finale keuze te doen. De soevereine Rechters van de universa zullen geen enkele mens de status van persoonlijkheid ontnemen wanneer deze niet finaal en geheel de eeuwige keuze heeft gemaakt; de ziel van de mens moet, en zal, volledig en ruimschoots de gelegenheid krijgen om haar ware oogmerk en werkelijke bedoeling te openbaren.

112:5.10

Wanneer de geestelijk en kosmisch meer gevorderde mensen sterven, gaan zij onmiddellijk door naar de woningwerelden; deze regeling geldt in het algemeen voor hen aan wie persoonlijk een serafijnse beschermer is toegewezen. Andere stervelingen kunnen worden vastgehouden tot het moment dat de beoordeling van hun zaak voltooid is, en hierna kunnen zij doorgaan naar de woningwerelden, of zij kunnen worden ingedeeld bij de gelederen van de slapende overlevenden, die allen tegelijk tot repersonalisatie zullen komen aan het eind van de lopende planetaire dispensatie.

112:5.11

Er zijn twee moeilijkheden die mij belemmeren bij mijn pogingen u uit te leggen wat er met u gebeurt in de dood, met de overlevende u die onderscheiden is van de vertrekkende Richter. Een van deze moeilijkheden bestaat in de onmogelijkheid om voor uw niveau van begrip een adequate beschrijving te geven van een verrichting in het grensgebied van de materiële en morontiale domeinen. De andere wordt veroorzaakt door de beperkingen die door de hemelse regerende autoriteiten van Urantia zijn gesteld aan mijn opdracht als openbaarder van waarheid. Er zijn vele interessante details die ik naar voren zou kunnen brengen, doch op advies van uw directe planetaire supervisoren laat ik deze achterwege. Binnen de grenzen van hetgeen mij is toegestaan kan ik echter wel het volgende zeggen:

112:5.12

Er is iets werkelijks, iets dat door de mens is ontwikkeld, iets naast de Geheimnisvolle Mentor, dat de dood overleeft. Deze nieuw verschijnende entiteit is de ziel, en deze overleeft de dood van zowel uw fysieke lichaam als van uw materiële bewustzijn. Deze entiteit is het gemeenschappelijke kind van het gecombineerde leven en de gecombineerde inspanningen van uw menselijke zelf in verbinding met uw goddelijke zelf, de Richter. Dit kind van een menselijke en een goddelijke ouder vormt het overlevende element van aardse oorsprong; het is het morontia-zelf, de onsterfelijke ziel.

112:5.13

Dit kind van de volhardende bedoeling en van overlevende waarde, is van de dood tot aan de repersonalisatie geheel bewusteloos en verblijft gedurende deze gehele wachtperiode onder de hoede van de serafijnse bestemmingsbeschermer. Ge zult na de dood pas als een bewust wezen functioneren wanneer ge de nieuwe bewustheid van morontia bereikt op de woningwerelden van Satania.

112:5.14

Bij de dood valt de functionele identiteit die verbonden is met de menselijke persoonlijkheid, uiteen door het eindigen van de vitale beweging. Hoewel de menselijke persoonlijkheid haar samenstellende delen te boven gaat, is zij wel van deze afhankelijk om als identiteit te kunnen functioneren. Het tot stilstand komen van het leven vernietigt de fysische hersenpatronen waaraan bewustzijn kan worden verleend, en het uiteenvallen van het bewustzijn maakt een einde aan de bewustheid van de sterveling. De bewustheid van dit schepsel kan daarna niet opnieuw te voorschijn komen totdat er een kosmische toestand is geschapen waardoor het deze menselijke persoonlijkheid mogelijk wordt om opnieuw te functioneren in een betrekking met levende energie.

112:5.15

Of overlevende stervelingen het opnieuw samenstellen van hun persoonlijkheid nu meemaken gedurende de derde periode dan wel opvaren ten tijde van de opstanding van een groep, tijdens hun doortocht van de wereld van hun oorsprong naar de woningwerelden worden de aantekeningen over de samenstelling van hun persoonlijkheid getrouw bewaard door de aartsengelen op hun werelden van speciale activiteiten. Deze aartsengelen zijn niet de bewaarders van persoonlijkheid (zoals de beschermserafijnen de ziel bewaren), doch het is niettemin waar dat iedere identificeerbare factor der persoonlijkheid afdoend wordt beveiligd in de bewaring van deze betrouwbare behoeders der overleving van stervelingen. Waar de persoonlijkheid van de sterveling precies verblijft gedurende het tijdsverloop tussen de dood en de overleving, weten wij niet.

112:5.16

De situatie die repersonalisatie mogelijk maakt, wordt geschapen in de opstandingszalen van de morontia-ontvangstplaneten van een plaatselijk universum. Hier, in deze ruimten waar het leven weer wordt samengesteld, zorgen de superviserende autoriteiten voor die verbinding van de universum-energie—morontiaal, mentaal en geestelijk—die het mogelijk maakt dat de slapende overlevende opnieuw bewust wordt. Het opnieuw samenvoegen van de samenstellende delen van een eertijds materiële persoonlijkheid houdt in:

112:5.17

1. het vervaardigen van een passende gestalte, een patroon van morontia-energie waarin de nieuwe overlevende contact kan maken met niet-geestelijke werkelijkheid, en waarbinnen de morontia-variant van het kosmisch bewustzijn in circuit kan worden gebracht;

112:5.18

2. de terugkeer van de Richter naar het wachtende morontia-schepsel. De Richter is de eeuwige bewaarder van uw identiteit in de opklimming: uw Mentor vormt de absolute verzekering dat gijzelf en niemand anders de morontia-gestalte zult bewonen die voor het ontwaken van uw persoonlijkheid is geschapen. De Richter zal dan ook aanwezig zijn bij het opnieuw samenstellen van uw persoonlijkheid om wederom zijn rol op zich te nemen van Paradijs-gids voor uw tot overleving gekomen zelf.

112:5.19

3. Wanneer deze eerste vereisten voor repersonalisatie zijn samengevoegd, schenkt de serafijnse bewaarder van de potentialiteiten van de sluimerende, onsterfelijke ziel, bijgestaan door talrijke kosmische persoonlijkheden, deze morontia-entiteit aan, en plaatst hem in, de morontiale bewustzijns-lichaamsvorm en vertrouwt dit evolutionaire kind van de Allerhoogste toe aan het eeuwige deelgenootschap met de wachtende Richter. En hiermee is de repersonalisatie, het opnieuw samenstellen van geheugen, inzicht en bewustheid—de identiteit—voltooid.

112:5.20

Het feit der repersonalisatie bestaat hierin dat de in circuit gebrachte morontia-fase van het nieuw afgescheiden kosmische bewustzijn wordt aangegrepen door het ontwakende menselijke zelf. Het verschijnsel van persoonlijkheid is afhankelijk van het voortduren van de identiteit van reactie van het zelf op de universum-omgeving; dit nu kan alleen worden bewerkstelligd via het medium van bewustzijn. De zelfheid blijft bestaan in weerwil van de onophoudelijke verandering in alle samenstellende factoren van het zelf. In het fysische leven vindt deze verandering geleidelijk plaats; bij de dood en bij de repersonalisatie is de verandering plotseling. De echte werkelijkheid van alle zelfheid (persoonlijkheid) kan in respons op de universum-omstandigheden functioneren krachtens het onophoudelijk veranderen van haar samenstellende delen; stagnatie eindigt onvermijdelijk in de dood. Het leven van de mens is een eindeloze verandering in de levensfactoren, verenigd door de stabiliteit van de niet-veranderende persoonlijkheid.

112:5.21

En wanneer ge aldus ontwaakt op de woningwerelden van Jerusem, zult ge zo veranderd zijn, zal de geestelijke transformatie zo groot zijn, dat ge, zonder uw Gedachtenrichter en de bestemmingsbeschermer die uw nieuwe leven in de nieuwe werelden zo volledig doen aansluiten bij uw oude leven in de eerste wereld, aanvankelijk moeite zoudt hebben om het verband te leggen tussen het nieuwe morontia-bewustzijn en de oplevende herinnering aan uw vorige identiteit. Niettegenstaande de continuïteit van uw persoonlijke zelf, zou een groot gedeelte van uw leven als sterveling in het eerst een vage, nevelige droom lijken. Doch de tijd zal vele sterfelijke associaties ophelderen.

112:5.22

De Gedachtenrichter zal slechts die herinneringen en ervaringen voor u oproepen en met u doornemen die een deel vormen van, en essentieel zijn voor, uw loopbaan in het universum. Indien de Richter uw partner is geweest in de evolutie van wat dan ook in het menselijk bewustzijn, dan zullen deze waardevolle ervaringen overleven in het eeuwige bewustzijn van de Richter. Doch veel van uw voorbije leven met zijn herinneringen zal vergaan met de materiële hersenen, aangezien het geen geestelijke betekenis of morontia-waarde heeft: veel van uw materiële ervaring zal verdwijnen, als vroeger steigermateriaal dat geen verder doel heeft in het universum nu het zijn functie als brug naar het morontia-niveau heeft vervuld. Doch persoonlijkheid en de betrekkingen tussen persoonlijkheden zijn nooit steigermateriaal; de herinneringen van de sterveling aan zijn persoonlijkheidsbetrekkingen hebben kosmische waarde en zullen blijven bestaan. Op de woningwerelden zult ge kennen en gekend worden, en bovendien zult ge u uw vroegere metgezellen in het korte doch boeiende leven op Urantia herinneren, evenals zij zich u zullen herinneren.


◄ 112:4
 
112:6 ►